woensdag 20 juli 2016

Het kleine blauwe locomotiefje

Als ik vroeger aan Oma vroeg hoe het was, zei ze vaak laconiek: "Och, we gaan gewoon door met ademhalen." Toen ik nog twee paardestaartjes had, vond ik dat eerst heel gewoon (want dat zei ze vaak), maar later begon ik er over na te denken en het vreemd te vinden (want zij was de enige die ik kende die dat zei). En nog weer later vind ik het een erg leuke manier om te zeggen dat je gewoon doorgaat, of [start Barry Stevens accent] "vooral doorgaat" [eind Barry Stevens accent], oftewel gewoon volhoudt, of misschien zelfs wel koppig volhoudt. Doorzettingsvermogen dus, in functioneringsgesprekkenwaarweincompetentiesmoetenpratentaal.

Een poosje geleden kreeg ik een amerikaans kinderverhaaltje onder ogen dat me weer hieraan deed denken. Het ging over een klein blauw locomotiefje (leuk, treintjes!) dat een hele zware trein over een hele hoge berg heen moest sleuren. Verschillende grotere en sterkere locomotieven hadden al geweigerd, want de berg was te hoog en de trein was te zwaar. Desondanks liet het kleine blauwe locomotiefje zich daar niet door ontmoedigen en begon vol goede moed aan de taak. "Ik wil het wel proberen", zei het kleine blauwe locomotiefje.

Eenmaal op de berg hard aan het werk zei ze steeds bij zichzelf "Ik kan het wel". Als je dat steeds als een mantra bij jezelf herhaalt, lijkt het ook wel op een voortpuffende trein: ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel-ik-kan-het-wel. Je kunt er zo "kedeng kedeng" tussen poten als je ikkanhetweltrein over een raillas (heet dat zo?) of wissel heen dendert.

In Dombo zit dat locomotiefje ook (die referentie snap ik dus ook nu pas)  , daar moet het een zware circustrein over de bergen sleuren, en zegt het bergop: "ik kan het wel ik kan het wel ik kan het wel ik kan het wel” en daarna, bergaf, zegt het opgetogen “ik wist het wel ik wist het wel ik wist het wel WOEHOE!” En die woehoe is de stoomfluit, want het is in Dombo een stoomloc - de film komt tenslotte uit 1941.


En nou moet ik daar steeds aan denken als het akelige pester-stemmetje (pesteiland in binnenstebuitentaal) in mijn achterhoofd zegt: "nee dat kan je niet want je bent stom". Dan hou ik koppig vol en denk ik aan Oma, die gewoon doorging met ademhalen en zich niet zomaar liet kisten.

En aan het kleine blauwe locomotiefje dat dacht dat ze het lekker wél kon. En het ook deed ook, want die trein kwam natuurlijk wel aan op de bestemming.

vrijdag 15 juli 2016

Even Stad in

Even Stad in is voor veel Groningers en Ommelanders normaal. Dat was het voor mij eigenlijk ook. Je springt op de bus, laat het incheckdingetje braaf "piep" zeggen en laat je richting Grote Markt rijden. Even lekker door de Herestraat sjokken. Even neuzen bij de V&D, de Hema en de Miss Etam. Even door de Folkingestraat lopen. Ergens gezellig koffie gaan drinken.

Zulke dingen.

Maar van de lente moest ik geopereerd worden aan een hernia, en daarna had en heb ik natuurlijk veel tijd nodig om te herstellen. Zo ben ik vanochtend voor het eerst sinds de operatie weer in de stad geweest, en dat vond ik een heel avontuur en ook best wel eng en spannend.

Maar ik vond het dan misschien wel wat eng, ik deed het lekker toch.

Eerst heb ik mijn brace om gedaan, want zo'n avontuur onderneem ik toch het liefst met wat stabiliteit. En ik nam mijn stok mee, zodat andere mensen meteen zouden zien dat ik momenteel minder vlot ben dan de meeste mensen (en ik wat extra zekerheid zou hebben als ik moe zou worden). Dat scheelt weer ergernis. En toen, met de bus naar de stad.

In de stad voelde het heerlijk vertrouwd, en ik vond het erg leuk om weer in de stad rond te kunnen lopen. Ik had Stad toch wel gemist, ontdekte ik. 
Maar hoe vertrouwd het ook was, er waren toch wel dissonanten: V&D was natuurlijk weg zodat ik geen koffie meer kon drinken op de vierde verdieping. Dat moest ik dan maar doen in het Newscafé, dacht ik bij mezelf. In de Herestraat zag ik dat er daar ook behoorlijk wat lege etalages waren, de meesten gelukkig wel met een hoopvol "Verhuurd" op het raam. Waar vroeger de Miss Etam en de Promiss zaten, werd gebouwd en het schoot me te binnen dat ik gelezen had dat er vijftig Promiss winkels weer terug zouden komen, helaas zonder grotematencollectie. En de Bijenkorf was weg. Daar kwam ik zelden, dus dat miste ik niet echt. Maar het is wel weer zo'n lelijke holle kies er bij in de straat.

Die faillissementen van de laatste tijd hebben wel hun sporen achter gelaten, dat was wel duidelijk te zien. Maar ja, we moeten zo nodig met ons allen naar de Action en de Primark en naar webwinkels in plaats van naar andere winkels. En dan is het logisch dat die andere winkels kapot gaan op den duur.

Ondanks die lelijke holle kiezen in het straatbeeld, was het toch leuk om in de stad te zijn. Ik merkte duidelijk dat ik weinig meer gewend ben, want ik was best wel gauw overprikkeld door alle toch min of meer nieuwe indrukken. Maar fijn was het wel om in de stad te zijn, en ik ontdekte dat ik Stad toch wel gemist had.

Ik ben blij met mijn brace, en ga binnenkort gauw weer even in de stad koffiedrinken. In de tussentijd ga ik gewoon door met oefenen, zodat ik in de (hopelijk nabije) toekomst geen brace meer nodig heb. Maar ondertussen is het toch wel fijn dat ik 'm heb.

dinsdag 5 juli 2016

Koe-wie en toe-wie

Omdat ik veel lees, komt een groot deel van mijn woordenschat uit boeken. En gok ik met sommige woorden maar wat op de uitspraak, want die weet je niet als je een woord alleen maar leest en nooit hoort. Soms klopt het wat ik gok, soms kom ik er later achter dat het niet klopte. Gelukkig heb je tegenwoordig internet waar je dat op kunt zoeken, maar vroeger wist je het gewoon niet en moest je gokken. En dat deed ik met veel woorden, want ik las en lees veel en graag.

Ingenieur is zo'n woord: ik heb altijd de neiging om in-ge-ni-eur te zeggen, dus met een harde g en precies zoals je het schrijft. Vaak is er dan wel iemand in de buurt die mij corrigeert of corrizjeert (ook zo'n woord) en roept dat ik het uit moet spreken als "inzjenjeur".

Dat fenomeen, daar loop ik soms ook tegenaan in mijn werk. Kennelijk is het voor mij onbewust zo'n gewoonte geworden om woorden uit spreken zoals ik ze lees, dat ik er niet meer mee op kan houden. Een zo'n woord is "gui". Gui is eigenlijk geen woord maar een acroniem: een als woord uitspreekbare afkorting. Het betekent "graphical user interface", oftewel grafische gebruikers interface. Dat stukje van je app dat je ziet, het spreekwoordelijke topje van de ijsberg van de app die je aan het gebruiken bent.

Omdat je het zo schrijft, heb ik gewoonte om gui te zeggen. Zeg maar zo'n bolletje waar je van gaat huilen als je 'm snijdt, met een g er aan de voorkant vastgeplakt. Ik ben daarmee wel in de minderheid, schijnt het: veel van mijn collega's spreken het uit op z'n engels (het komt eigenlijk ook uit het engels, nietwaar?) en zeggen koe-wie met een zachte k. Ik moet altijd twee keer nadenken als ik dat hoor voordat ik besef dat ze gui bedoelen. Ietwat vervelend, maar je went er aan en past je zo goed mogelijk aan.

Toch loop ik op een onverwachte plek weer tegen datzelfde ui/oe-wie-dilemma aan: in de reclames voor dat reisbureau TUI.

"Toe aan tui", zegt de slogan op het scherm.
"Toe aan toe-wie", zegt de voice-over.
"Toe aan tui", denk ik bij mezelf.

Ik ben benieuwd hoe snel ik mezelf zover krijg dat ik braaf koe-wie en toe-wie ga zeggen, zoals het schijnbaar hoort.

Misschien blijf ik wel een stiekeme rebel door lekker koppig gui en tui te blijven zeggen.
Kan het mij schelen.

maandag 8 februari 2016

Nieuwgierig!

Als kind was ik nieuwsgierig aangelegd. En dat vonden mensen niet altijd even leuk. Soms zeiden ze dat ik een “nieuwsgierig aagje” was. Dat vond ik vervelend klinken, dus ik nam maar aan dat dat iets fouts was, een nieuwsgierig aagje zijn. Het spreekwoordenboek geeft me als definitie: “iemand die van alles wil weten over waar hij of zij niets mee te maken heeft”.

Klinkt toch niet bepaald positief.

Andere spreekwoorden die zo bij me opkomen bij het denken aan nieuwsgierigheid zijn “iemand het hemd van het lijf vragen” en “je neus ergens insteken”. Die hebben allebei ook niet echt een positieve klank. 
En dan natuurlijk Bassie, die met de regelmaat van de klok door Adriaan tegengehouden wordt door Bassie in zijn kraag te grijpen en te verzuchten: “Bassie!”. Waarop Bassie dan roept: “ja maar ik ben zo schieuwnierig!”. 

Kennelijk vinden we met ons allen nieuwsgierigheid maar een naar ding. We moeten ons met onze eigen zaken bemoeien.


Maar toch is nieuwsgierigheid soms best leuk. En ook best wel goed, denk ik, als je 'm de juiste kant op stuurt.


Als kind was ik ontzéttend nieuwsgierig.
Als ik voor mijn verjaardag een nieuw stuk speelgoed kreeg, moest ik eerst precíes weten hoe het werkte, voordat ik ermee ging spelen. Want ik was zo nieuwsgierig naar hoe het werkte! Mijn vader hield die eerste schreden van mijn onderzoekende geest nauwlettend in de gaten, want hij moest me natuurlijk helpen met alles weer in elkaar zetten als ik éénmaal mijn nieuwsgierigheid bevredigd had en niet meer wist hoe ik ’t weer in elkaar kon zetten. 

Als kind was ik ontzéttend nieuwsgierig.
Ik vroeg mijn ouders de oren van het hoofd: waarom wolken wit waren, en waarom de regenboog al die mooie kleurtjes had, waarom de lucht blauw was en waar regen eigenlijk vandaan kwam. Ik kreeg al gauw een bibliotheekpasje. Elke drie weken mocht ik vier (vier maar? ja, vier maar) nieuwe boeken lenen, waarvan meestal minstens de helft van de informatieve jeugdafdeling kwam. Toen ik die éénmaal kon dromen, leende ik stiekem ook boeken van de informatieve volwassenenafdeling. Eigenlijk mocht dat pas vanaf je twaalfde, maar vooruit. Tien was toch al bijna twaalf, of niet dan?
Vooral boeken over computers en wetenschap vond ik leuk. Lezen over vulkanen en aardbevingen, over sterren en planeten, over grote dinosaurussen die zo lang geleden leefden. Ik was zo nieuwsgierig dat ik precíes wou weten hoe het zat!

En dat ben ik nog. 

Nog dagelijks vraag ik me af: “Waarom doet hij dat?”. Waarbij “hij” vanwege mijn werk toch meestal een computerprogramma is met een bug er in.
Als ik mensen een voor mij hele rare mening hoor hebben, denk ik: “waarom vindt ‘ie dat?”. Als ik mensen iets voor mij heel raars zie doen, denk ik: “waarom doet ‘ie dat?”. Want ik ben nieuwsgierig en wil het snappen.

Ik besef tegenwoordig dat nieuwsgierigheid de drijvende factor is achter alle wetenschap. Willen weten waarom. Niet het “eureka!”-moment, is wat de meeste wetenschappers het meest boeit, maar het "Hè? Wat raar!”-moment. 


Ik ben nieuwsgierig, en dat is helemaal prima! 

zondag 31 januari 2016

Blogs gebundeld

Van 't weekend heb ik eens lekker doorgezet, en nu staan de jaren 2013, 2014 en 2015 van mijn blogs online op http://rubenseschone.nl/ebooks.html. (2012 en eerder stonden er al).

Naast mijn blogs staan er nu ook epub- en pdfdownloads van de korte verhalen "Hoe de kerstman de kerstman werd" en  "121876".

Veel leesplezier!

dinsdag 26 januari 2016

Maatschappij: mens, machine of magie?

Als alles normaal is, en jij en de mensen om je heen gewoon hun gang gaan, valt het meestal niet zo op. Maar soms, als er een kink in de kabel komt, zie je het ineens. Onze maatschappij, die doorgaans zo vanzelfsprekend is, is eigenlijk een best wel fijn en nauwkeurig afgestelde machine.

Dat viel mij op toen bij mij voor de deur mensen over de straat konden schaatsen (en dat valt me weer op als ik de nieuwsberichten over snowzilla lees). Alles kwam ineens tot stilstand. De bus reed niet meer, want glad. De trein reed amper, want er zat teveel ijs op de bovenleiding (ze moesten een heel oud "monster" inzetten om de bovenleiding ijsvrij te houden). Electriciteitsvoorziening kwam in gevaar omdat er te veel ijs op de hoogspanningskabels zat en ze begonnen te dansen. Vuilnis kon niet worden opgehaald, want het was te glad. Kranten, de post, bevoorrading van de winkels, melk ophalen bij de boeren, het ging niet. Mensen die in een ziekenhuis of zo werkten, moesten mopperend en glibberend met ijskrappen onder de schoenen of op de schaats naar hun werk, omdat ze eenvoudigweg niet gemist konden worden.

Toen het ijs vrijdags éénmaal goed en wel was weggesmolten, was het prompt stervensdruk op de weg en in de supermarkten: iedereen moest zijn voorraadkast aanvullen en er werd meteen gevraagd wanneer de gemeente nu dacht de grijze bakken te komen legen. Postbodes moesten op pad met de post van drie dagen in de fietstassen.

Dan zie je ineens uit hoeveel onzichtbare radertjes onze westerse samenleving eigenlijk bestaat. 

Je zet 's ochtends fluitend de grote grijze bak bij de weg, niet één seconde verwachtend dat hij niet geleegd zal worden. Dat regelt de gemeente wel terwijl jij je eigen dingen doet. Je wandelt naar de winkel, zonder ook maar één gedachte te wijden aan de vraag of ze wel hebben wat je nodig hebt, want 's ochtends vroeg is een vrachtwagen geweest om de voorraden aan te vullen.

Allerlei dingen worden geregeld, schoongemaakt, opgehaald en bijgevuld door meestal onzichtbare radertjes terwijl je zelf jouw eigen radertje weer een rondje verder draait op je werk. 

Het lijkt wel magie. Maar als je op straat kunt schaatsen, blijkt ineens weer dat dat niet zo is, en als er dan mensen zijn die hun radertje niet verder kunnen draaien, blijken anderen daardoor weer in de problemen te komen. Ook merk je meteen dat sommige radertjes meer en/of sneller gemist worden dan andere: ziekenhuispersoneel, politie-/brandweer-/ambulancemensen, strooiautochauffeurs, wegenwachters, vuilnisophalers worden meteen node gemist. Op het ommeland missen ze ook meteen de radertjes melkophalers en dierenartsen. 


Het lijkt wel magie, zo'n moderne beschaafde samenleving. Eigenlijk zijn we met ons allen best wel tof, dat we zo'n samenleving zomaar kunnen maken en onderhouden met elkaar. 

donderdag 31 december 2015

Die vermaledijde rottelefoon, of mijn goede voornemen voor 2016

Als je in je eentje op van alles af gaat en niet aan je telefoon vastgeplakt zit (nou ja, probeert te zitten), heb je alle tijd om om je heen te kijken. “Mensen kijken”, noemt mijn familie dat altijd. En ’s mensens doen en laten observeren is meestal erg interessant, en leerzaam, en soms ook wel frustrerend. Maar ook die frustratie is weer bedoeld om mij wat te leren, hoop ik dan maar.

Wat me vaak opvalt, is hoe sterk iedereen om mij heen aan zijnhaar telefoon vastgeplakt zit. Whatsappen, of facebooken, naar de kleuren op het scherm te oordelen (verder dan de kleuren op het scherm kijk ik niet want meelezen met een ander is zo onbeschoft). Mensen zitten soms zelfs de halve tijd aan hun telefoon vastgeplakt als ze met jou iets aan het doen zijn, waardoor je je onwillekeurig toch wel afvraagt of ze het eigenlijk wel léuk vinden, dat wat ze met jou aan het doen zijn, en of ze jou eigenlijk wel leuk genoeg vinden als ze zich zo overduidelijk gedragen alsof ze hun telefoon veel leuker vinden dan jou. 

Maar aan de andere kant, omdat ik van mezelf niet stiekem mee mag kijken/lezen/spieken met wat ze aan het doen zijn, weet ik niet wat ze aan het doen zijn. Misschien whatsappen ze wel met hun kinderen die vragen of ze opgehaald kunnen worden van ikweetnietwaar, of misschien whatsappen ze wel met een vriendin die een schouder om op uit te huilen of een ruggesteuntje nodig heeft omdat ze echt rottige dingen meegemaakt heeft. Misschien is het dus wel echt belangrijk.

Maar aan weer een andere kant, is het natuurlijk ook wel een beetje zo dat de combinatie van smartphone plus facebooksocialemediadinges sterk inhaakt op ’s mensens nogal fundamentele behoefte om ergens bij te horen (hoe voel je je zelf als je de heeikhebeenberichtjeping van je telefoon hoort? Denk je dan stiekem bij jezelf één kort momentje “jeujeujeuj”?). Dus het kan ook nog zo zijn dat wat ze dan ook aan het doen zijn op de telefoon, niet echt belangrijk belangrijk is, maar meer hun shotje “erbij horen” is. En dan zou je het ze niet méér kwalijk kunnen nemen dan je het een heroïnejunk kwalijk neemt dat ‘ie een shot nodig heeft, want dan zou het meer iets verslavingsachtigs zijn, en kun je het niet echt meer een vrije keuze vinden om op je telefoon te kijken.

Of misschien is het wel gewoon zo, dat we met ons allen geleerd hebben vooral onszelf belangrijk te vinden (het jijbentuniekenspeciaaleneenprinsprinses fenomeen). En dan is het gewoon een teken van veranderende manieren, waarbij je als oudere of oudere jongere iets zeurends kunt mompelen met “die jeugd van tegenwoordig” er in, gemakshalve even negerend dat de mensen die in de kroeg, de bus, de trein, de typisch nederlandse verjaardagskringfeest en de Efteling aan hun telefoon vastgeplakt zitten ook soms grijze haren en rimpels hebben en het dus echt geen jongeregeneratiedingetje is.

Al die mogelijkheden overdenkend, lijkt het toch het makkelijkst om mezelf te leren accepteren dat dingen zo zijn als ze zijn. Mezelf, daar heb ik tenminste een beetje invloed op, nietwaar? 

Mijn goede voornemens voor 2016 zijn dan ook:
  1. mezelf niet meer ergeren aan tijd die ik en anderen aan hun telefoon vastgeplakt zitten.
  2. verder gaan met minder aan mijn telefoon vastgeplakt zitten


Doe je met me mee?