woensdag 20 augustus 2014

Diogenes en hebben

Ooit, toen het nog klassieke oudheid was, woonde in Griekenland een meneer die Diogenes heette. Ze zeggen dat hij sliep in een regenton, of amfora misschien, en dat hij er bewust voor had gekozen om te leven met zo min mogelijk bezittingen. Zelf maakte ik met Diogenes voor het eerst kennis in een Suske en Wiske, waarin hij getekend werd als een meneer van middelbare leeftijd die gekleed was in iets toga-achtigs. Toen hij Lambik bij een fontein zag drinken, waarbij Lambik zijn handen als kommetje gebruikte, riep hij "Eureka!" en gooide meteen zijn drinkbeker weg. Want die had hij niet meer nodig. En hoe minder bezittingen, hoe beter, schijnt hij gevonden te hebben. Alsof bezit vergif is, of zo.

Misschien is bezit ook wel een soort van vergif. Vergif voor je hoofd, voor je denken.

Sommige dingen zijn natuurlijk noodzakelijk, zoals bijvoorbeeld een lekkere dikke warme winterjas bij tien graden celcius onder nul. Of een boterham elke ochtend. Want je wilt immers niet doodvriezen, en je wilt ook regelmatig wat te eten hebben, want overleven.
Maar daar voorbij? Hoeveel spullen hebben we met elkaar nou eigenlijk echt nódig?

Het is makkelijk om te denken dat je iets nodig hebt. Dat wordt je ook aangepraat door reclames overal om je heen, het idee dat je die nieuwe iWatch of iTime of Samsuing Gear echt nodig hebt. Dat je die nieuwe deodorant, parfum, teevee, autoradio, wasmiddel en noem maar op echt nodig hebt. Reclamemakers willen je dat natuurlijk ook graag aanpraten, want anders verkopen hun bedrijven niet genoeg. En er moeten spullen verkocht worden, want geld moet rollen. We hebben met de financiële crisis allemaal kunnen ervaren wat er gebeurt als 't niet meer rolt maar stil ligt.

Maar toch.

Wat heb je nou eigenlijk echt nódig? Ik vraag me dat dagelijks af. Wat heb ik nou echt nodig? Wat kan ik eigenlijk beter weggooien? Waarom wil ik dat nieuwe dingsigheidje nou eigenlijk écht hebben? Ja, koffie 's ochtends, bijvoorbeeld. Heb ik dat echt nodig? En als ik vind dat ik koffie nodig heb 's ochtends, ga ik dan lekker gemakkelijk een koffiemachineding aanzetten of ouderwets handmatig opschenken? Het gemak wint het dan al gauw, ook bij mij. 

Maar bezit kan dan leuk en gemakkelijk en soms noodzakelijk zijn, het is ook gedoe.

Je auto die door de APK moet, een koffiemachine die ineens stuk is en waarvan je vindt dat je een nieuwe nodig hebt omdat je jezelf niet zonder koffie 's ochtends kunt voorstellen. Een koophuis hebben en lekkerij hebben in de douche, of een rooklucht in de meterkast. Een verse scheur in de muur na de laatste aardbeving. Allemaal gedoe.

Ik blijf het me afvragen: heb ik dat écht nódig? En zo ja, waarom vind ik dan dat ik dat nodig heb?

vrijdag 15 augustus 2014

Stukke koffie en cups

De koffiemachine was stuk. Als je er een pad in deed, water in deed en op het knopje drukte, rammelde en knorde er wat, maar gebeurde er verder niks. Geen koffie. En ik had nog geen maand geleden geontkalktgedingestgedaan. 

Een weekendig ontbijt zonder koffie is niks, dus nieuwe halen maar. Op naar de saturn. 

Het voordeel van zo'n grote winkel als de saturn is dat je veel keus hebt. En als je de verkopers weet te ontwijken kun je nog rustig rondkijken ook. 

Het nadeel van zo'n grote winkel als de saturn is dat je veel keus hebt. Koffiezetters, senseos en van die cupmachines staan vriendschappelijk naast professionele espressomachines. En welke moet je dan nemen? 

Bij de nespresso-koffiecupdingen liep een meneer rond met Nespresso op zijn overhemd. Ik vroeg hem naar die cups. "Ik kan wel een kopje voor je zetten, hoor. Dan kun je zelf proeven! Houd je van sterke of zachte koffie?"  En toen ik zei dat ik van zachte koffie hield, pakte hij een oranje cupje. 

En het was erg lekkere koffie. 
Zo lekker dat ik helemaal geen melk en bijna geen suiker nodig had. En het typische bittere randje dat je bij de meeste koffies proeft, was nergens te bekennen. Dit was geen gedachtenloos-achterover-giet-koffie, dit was er-even-goed-voor-gaan-zitten-geniet-koffie! Ik was dan ook eigenlijk meteen overstag want ik houd toch wel erg van als dingen lekker smaken. 

Nog in de winkel meldde de verkoper mij aan bij de website, machineserienummer en dergelijke registrerend bij mijn emailadres. Later thuis op internet zoeken blijkt er een hele club omheen gebreid te zijn waarvan ik nog niet weet of het een marketing-gimmick is of iets nuttigs. Maar dat ontdek ik nog wel. 

En vanochtend heb ik mijn eerste kopje nespressokoffie gehad. Er zit van elke smaak een cupje bij de machine dus er is veel te proberen. Ik voel me al bijna die knappe-nespresso-reclame-meneer :)

En ik ga voortaan thuis lekker even de tijd nemen voor het koffiedrinken. Voor het gedachtenloos achterover gieten neem ik dan wel een glas water. 

vrijdag 8 augustus 2014

Kunstmatige hersens en denkende auto's

Op arstechnica (http://arstechnica.com/science/2014/08/ibm-researchers-make-a-chip-full-of-artificial-neurons/ ) las ik vandeweek dat ze er in geslaagd zijn om kunstmatige neuronen te maken. Neuronen zijn de cellen waaruit je hersens bestaan, en ze schijnen nogal typisch te zijn. Nou vraag ik me af of een heleboel van die kunstmatige neuronen bij elkaar ook echt zouden werken als echte neuronen. 

En of computers en robots dan echt zouden kunnen denken, zoals wij.  Zouden ze bewustzijn kunnen ontwikkelen? Een heleboel mensenneuronen bij elkaar in je hoofd kunnen en doen dat immers ook. 

Stel je eens voor. Een computer met bewustzijn. Een levende computer dus eigenlijk. 

Wat zouden ze van ons vinden? Bijvoorbeeld als je zo'n denkende computer in een Google zelfrijdende auto stopt. Krijg je dan een soort echtelevenCars met een echte Takel en een echte Lightning McQueen en een echte Guido en zo? Een auto met karakter? Maar dan echt karakter en niet zoals dat nu bedoeld wordt, enkel hoe het ding er uit ziet. Zou een auto dan ook gevoelens hebben zoals wij? Zou een auto je aardig kunnen vinden, of kwaad op je kunnen worden?

Stel je eens voor. 

Je stapt 's ochtends op weg naar je werk in een al op je wachtende zelfrijdende auto. Terwijl de auto tegen je begint te kletsen vraag je je slaperig af waarom je 's ochtends altijd die kletsmajoor tegenkomt. Dat kan toch geen toeval meer zijn? Je herinnert je vaag verhalen over vroeger. Denkt aan hoe je grootmoeder vertelde dat je auto's toen nog zelf moest besturen en hoe je daar heel lang voor moest leren. En als je examen gedaan had en geslaagd was, kreeg je een bewijsje dat je mocht rijden. Een onooglijk stukje roze plastic, dat rijbewijs heette. Grootmoeder heeft de hare nog thuis in de vitrine liggen, hoewel plastic eigenlijk niet meer mag. Een chip achter je oor is toch immers zo veel makkelijker, denk je bij jezelf. 

Je auto rinkelt om je wakker te maken. Je ziet dat je bij kantoor bent en stapt uit. "Nou tot morgen dan maar hè!", roept de auto je na. 

Wegrijdend denkt de auto bij zichzelf: "mensen zijn en blijven raar zo zonder wielen en alles maar toch vind ik deze wel aardig".

dinsdag 5 augustus 2014

Levende sterren

Science fiction series als Doctor Who en Star Trek brengen je in contact met vreemde levensvormen en culturen met totaal andere denkwijzen, vanuit je luie stoel voor de televisie. Of Netflix. En dat is interessant, vind ik, ook al komen die andere culturen uit het brein van een menselijke scriptschrijver en moeten die vreemde wezens door menselijke acteurs gespeeld worden.  Een beetje beperking is er dus wel, maar toch blijft het interessant, al die "rare" ideeën. 

Rare jongens, die buitenaardsen.


Op het moment ben ik weer eens bezig met een paar Doctor Who afleveringen, en laatst zag ik eentje die als onderwerp een ruimteschip had dat op een ster neerstortte. In de aflevering bleek dat het schip illegaal sterrespul (plasma of zo) geoogst had en nu zonder motor of besturing zijn vernietiging tegemoet ging. In die aflevering zit een scène waar de Doctor naar buiten kijkt, naar de ster, en zich plotsklaps realiseert dat die ster leeft. Een levend wezen is.

Stel je eens voor, dat een ster zoals onze zon een levend wezen zou zijn!

Hoe zouden ze dan met andere sterren "praten"? Zouden ze echt praten, op een soort manier als wij doen, of zouden ze dan telepatisch of zo zijn? De afstanden tussen sterren zijn zo groot dat praten zoals wij doen niet echt praktisch lijkt, want zelfs licht doet er hardstikke lang over om van de ene ster bij de andere te komen. En licht gaat het allerhardst van alle dingen die hardstikke snel kunnen gaan. 

Wat zouden ze ook vinden van de planeten, asteroïden en kometen en alles die om hen heen cirkelen? Lastige aanhangsels of kinderen waarvoor gezorgd moet worden? 
En wat zouden ze vinden van die ienieminikleine mensjes die op de derde planeet rondlopen? Zouden wij dan de zon haar kleinkinderen zijn, als kinderen van de aarde? 
Zouden ze überhaupt wat daarvan vinden? 

Misschien gaat ons bestaan wel totaal aan zulke wezens voorbij, zoals wij geen tweede keer en meestal zelfs geen eerste keer nadenken over de bacteriën die zo klein zijn dat we ze niet eens kunnen zien. Misschien zouden wij voor hen wel bacteriën zijn. Of misschien een virus, of zo. 
Het kan ook zijn dat levende sterren wel zouden weten dat we bestaan. Dat ze voor ons zouden willen zorgen, zoals de zon ons licht geeft. Dan zou zo'n sterzon een soort Apollo zijn, uit de ik-weet-niet-of-het-nou-de-Griekse-of-de-Romeinse-was mythologie. 

En hijzij (is een ster eigenlijk mannelijk of vrouwelijk?) zou broertjes en zusjes hebben: de sterren die uit dezelfde gaswolk ontstaan zijn.  Zoals de pleijaden, of in de Orionnevel. En de Melkweg zou dan hun stad zijn. Met in het centrum sterrenwinkels waar allemaal zonnen in en uit lopen (zweven?) en waar ze allemaal mooie modieuze sterrendingen verkopen zouden. Dagcremes tegen zonnevlekken bijvoorbeeld, of drankjes tegen zure oprispingen van zonnevlammen. Een mooie zondagse corona, speciaal voor een zonsverduistering. 

Ach in werkelijkheid kan dat natuurlijk niet. Een ster is een heeeeeeeeele grote bol gas, en eentje daarvan noemen we zon. En leven doen ze niet.  Tenminste niet zoals wij dat doen.  

Maar een leuk idee blijft het wel: stel je eens voor dat een ster een levend wezen zou zijn.

dinsdag 22 juli 2014

Samen koffie halen

Acht jaar geleden zat ik een zomer voor Ordina bij het World Food Programme in Rome.
 
Wat? Acht jaar geleden alweer??.

Ja, acht jaar geleden alweer. Laatst kwam ik bij een opruimactie mijn reisverslagen van toen weer tegen op mijn website. Met veel plezier heb ik die al herinneringen ophalend zitten lezen, en nog altijd ben ik zo trots op die klus dat ik hem pontificaal op mijn site laat staan. Píeker er niet over om hem weg te halen. 

Een van de typische dingen van daar, was dat ze geen koffieautomaten hadden op de diverse verdiepingen/afdelingen. Hier in Nederland hebben de meeste bedrijven dat wel, een koffieautomaat op elke verdieping. Soms zelfs meer dan één. En soms hebben die automaten ook koud water, of staat er een waterkoeler naast die koud water geeft. En we halen allemaal koffie bij de koffieautomaat en drinken hem op achter de computer tijdens het werk. Met als gevolg dat je heel gedachtenloos drinkt, en de koffie niet eens echt proeft. Misschien maar beter ook, met automatenkoffie. Automatenkoffie heeft niet zo'n goede naam, qua smaak. 

Maar daar bij het WFP hadden ze geen koffieautomaat. Als je koffie wou, moest je naar beneden naar de kantine. Daar waren cateringmeneren en -mevrouwen die ook koffie konden zetten. Lekkere koffie ook nog. Je kon er de typisch italiaanse waslijst aan koffie's bestellen: americano's, lungo's, cappuccino's, espresso's, ristretto's, noem maar op. Als je drinken op je werkplek wou, kon je een halveliterflesje Evian kopen, van dat bronwater. Die nam je mee naar boven en je vulde hem gedurende de dag dan bij bij de kraan in de wc. Iedereen had dan ook een paar flesjes op zijn/haar bureau staan. 

En als je koffie wou, ging je naar beneden. In ons geval met heel de afdeling, met Jochem en Ferry en Vlado en Martin en alle namen die ik na acht jaar vergeten ben. Erg gezellig was dat. De gesprekken gingen natuurlijk eigenlijk altijd over het werk, maar ook dat was gezellig. En nuttig, want je wist daardoor eigenlijk altijd wel van elkaar wie waarmee bezig was en zo. De ochtendlijke koffiepauze was daarmee een soort van "daily stand-up" (zo'n agile/scrum-ding), Maar dan als dagelijkse "daily canteen-coffee". 

Ja, dat had wel wat. Samen met zijn allen koffie halen in de kantine. 

zondag 20 juli 2014

Peren en sweeties

Ik ben een peer. Qua figuur, dan. Vrouwenfiguren worden door modemeneren en -mevrouwen meestal in hokjes gestopt: appels, zandlopers en peren, bijvoorbeeld. Een appel heeft een zwembandje, een zandloper heeft een wespentaille en een peer is het dikst in de heupen en de bovenbenen. En ik val overduidelijk in die laatste categorie. 

Als dikke peer zijn zomerdagen zwaar. Een rok is lekker luchtig, maar omdat je bovenbenen dan tegen elkaar schuren, doet dat zeer. Vooral als het uiteindelijk gaat bloeden omdat de huid helemaal openligt. Dus trek ik meestal maar een broek aan. Maar da's warm. En jezelf thuis in je heerlijk koele huis verstoppen is ook zo.....tjsa. 

Gelukkig ben ik niet de enige peer die daar last van heeft: Cece Olisa bijvoorbeeld heeft er op haar blog ook het een en ander over geschreven. Zij heeft ook van alles geprobeerd: broekjes, crèmes. Er valt voor vrouwen-met-peren-problemen van alles te vinden aan oplossingen op internet. In dit soort dingen is internet toch iets moois. 

Zelf kwam ik uiteindelijk na veel zoeken en recensies van medeperen lezen uit bij sarahssweeties.nl. Daar verkopen ze broekjes voor onder een rok, met pijpjes. Sweeties noemt ze die. Speciaal ontworpen zodat je bovenbenen niet zo tegen elkaar schuren, staat er bij. Daar heb ik er dus eentje van gekocht en natuurlijk met de huidige warme dagen meteen aan gedaan. En het werkt prima, hij beschermt zonder benauwd aan te voelen. En hij rolt niet op. Het eerste broekje-met-pijpjes dat ik probeer dat niet naar boven oprolt. 

Dus heb ik er natuurlijk gelijk meer besteld! Zodra die binnen zijn, mag van mij de warmte komen. Deze peer is er klaar voor! 

zondag 13 juli 2014

Fietsmuizenissen

Twee jaar geleden kocht ik van mijn vijftienjarigjubileumbonusdinges een nieuwe fiets. Een hele mooie, zij het nogal meisjesachtig roze, fiets. Met een vrolijk gekleurd mandje voorop en alles. Grootse plannen had ik, ik zou elke dag naar het werk gaan fietsen, en gezond doen, enzo. Want beweging is toch goed voor je lijf.

Er kwam weinig van terecht.

De eerste ochtend dat ik dapper op de fiets naar het werk ging, wist ik meteen waarom ik was gestopt met fietsen zodra ik mijn studenten-ov-kaart kreeg. Fietsen, en sporten in het algemeen, was stomvervelend, en nog zweterig op de koop toe ook. Wat voelde ik me vies en goor toen ik op mijn werk kwam. Jakkiebah!
Ik hield mezelf voor dat ik enkel moest wennen, dat ik het de tijd moest geven. Nou ja, er kwam niets van terecht.

Anderhalf jaar later, afgelopen februari, ging ik door mijn rug. Ik moest veel liggen en lopen en had dus weinig te doen, want zitten ging niet. Mezelf doodvervelend bestelde ik een boek bij de bol.com "Health at every size", van Linda Bacon. Want gezond zijn, gezond leven en goed voor mezelf zorgen, dat wou ik nog steeds. Dat wou ik steeds meer zelfs. Heel langzaam begon ik toch te geloven dat het het waard was. Dat ik het waard was om voor te zorgen.

Ergens in dat boek las ik ook een heel stuk over wat de schrijfster over beweging te melden had. Herkenbaar waren de anekdotes over enthousiast naar de sportschool gaan maar je daar volledig weggekeken voelen. Ongeveer zo: http://ingridsgedichten.blogspot.nl/2013/01/rubense-op-de-sportschool.html. De verhalen in het boek over begeleiders die meenden te motiveren door "je kunt het" en zo te schreeuwen, en die op mij altijd een ontzettend demotiverende werking hadden, waren ook terug te vinden in het boek. Ineens voelde ik mij niet zo alleen met mijn sporthaat.

Het boek gaf de tip om het idee van sporten om het sporten op te geven. In plaats daarvan, zo vond het boek, moest ik naar een bewegen zoeken die ik leuk vond. Want iets dat ik leuk vond, zou ik automatisch volhouden. Het boek vond alles goed: elke dag een half uurtje tikkertje spelen met de kinderen was helemaal prima, schreef het. Maar ook wandelen, fietsen, dansen. In bed liggend lag ik na te denken over het leuk vinden van bewegen. Dat had ik nooit leuk gevonden, ik was altijd een echte "bankaardappel" oftewel couch potato geweest. Lekker met een goed boek en een relaxt muziekje op de bank met een kop thee op de salontafel was zo ongeveer mijn idee van de hemel op aarde.

Maar ja, dat bewegen hè? Dat was gezond en dat hoorde bij goed voor jezelf zorgen. En ik begon steeds meer te vinden dat ik goed voor mezelf moest zorgen. Niet voor een ander, maar voor het eerst van mijn leven voor mezelf.

Liggend in bed lag ik na te denken.

Mijn fysiotherapeut had en heeft een klein sportzaaltje er bij. Mijn moeder sport er ook, en vindt het heel fijn, omdat ze je goed begeleiden en in de gaten houden.

Misschien was dat wat. Met mijn fysiotherapeut kan ik goed opschieten, dus was ik er van overtuigd dat als ik hem alles rustig en uitgebreid uitlegde, het wel goed over zou komen. De eerstvolgende keer dat ik weer naar behandeling moest, begon ik er over.

"Ik wil eigenlijk wel eens een keer gaan sporten", zei ik. "Niet voor de sport, niet voor het afvallen en dun worden, niet omdat het goed is voor je lijf, maar om mezelf de kans te geven het leuk te leren vinden". Een sport beoefenen die je leuk vindt, daar was hij meteen voor dus spraken we af dat ik bij hem ging sporten zodra mijn rug er aan toe was. Dan zouden we een beetje cardio doen en een beetje oefeningen ter versterking van de rug. Dan zou ik de kans hebben om van het bewegen te leren genieten en het zou ook goed zijn voor de rug.

Zo gezegd, zo gedaan.

Sinds een twee maanden zit ik dus op fysiofitness. Elke keer een stukje op de loopband, op de rugspieroefeningapparatendingesen en een stukje op de fiets. Hometrainer. Fiets. Dat ding, in elk geval.
Ik moest er wel aan wennen om te sporten, vooral het zweten. Ik zweet nogal snel. Ome Dok zegt dan "ja, da's prima want dat betekent dat jouw natuurlijke koelsysteem prima werkt". Maar ik moest er wel aan wennen. Vond het een vies gevoel. Maar toch, ik sportte. Ik deed wat. Ik kon zeggen dat ik op fysiofitness zat. De fysiotherapeut kent mij al langer dan vandaag, en laat mij dus meestal met rust als ik bezig ben. Af en toe krijg ik een knijpertje op mijn vinger, dan meet hij mijn hartslag en de zuurstofgehalte in mijn bloed. Ze houden je goed in de gaten, daar. Dat voelt veilig.

En langzaamaan begon ik er achter te komen dat ik het poosje op de hometrainer eigenlijk best wel leuk begon te vinden. "Ik heb thuis nog die vijftienfiets staan", dacht ik. Misschien moest ik maar eens kijken in wat voor staat die is.

Meteen kwam mijn denkhoofd met allemaal muizenissen aanzetten. Daar is het goed in, in muizenissen. "Jamaar dan moet je evenwicht bewaren!", dacht het. En: "dan moet je op- en afstappen! Dat is moeilijk!". Ik voelde wel dat het wel even zou duren om die muizenissen los te laten. Want dat het muizenissen waren, dat stond voor mij als een paal boven water. Als ik even van buitenaf naar mijn muizenissen keek, zag ik duidelijk dat het meer  "ja maar daar heb ik geen zin in"-gedachten waren. Ik besloot het wat tijd te gunnen, maar wel alvast die fiets eens na te kijken. De banden oppompen enzo. Het zou dan vanzelf zover zijn dat ik mezelf dapper genoeg voelde om het gewoon te doen: fietsen!

Vandaag, thuisgekomen na het schrijfcafé, had ik ineens zin. Ik haalde de fiets uit de schuur, sloot het huis af en ging op weg naar Kardinge. Een klein rondje. Gewoon even een klein rondje. Alleen maar om mezelf te bewijzen dat ik het wél kon. Het was mooi bewolkt, geen felle zon. Een warm maar niet te warm briesje streek langs mijn blote armen. De bomen ruisten en vogels floten. En ik genoot! Van de ruisende bomen, de fluitende vogels en het gevoel van mijn fietsende lijf. Ziejewel dat ik het wél kon! Ik fietste voorbij de pitch and putt, en remde netjes af voor een paar fietsers die van rechts kwamen. Mijn zadel bleek zo laag te staan dat ik met mijn tenen bij de grond kan, dus afstappen was geen enkel probleem. En opstappen ook niet. Zo makkelijk. Genietend van het weer, de omgeving, de geluiden en de middag fietste ik door, om de Kardingerplas heen bij Lewenborg langs richting Drielanden.

Later kreeg ik het briesje tegen, en hij wakkerde nog aan ook. Gelukkig nog niet erg, al moest ik er nu wel echt voor werken. De wind vond duidelijk dat ik wel wat aan mijn conditie kon werken. Nou, dat kon hij krijgen. Ik fietste door, ondanks dat mijn lijf nu toch wel heel erg begon te zweten, en ook wel moe werd. Maar ik was al een heel eind, en ik wist dat mijn lijf het kon. Voordat ik het wist, fietste ik alweer in mijn eigen straat.

Heb ik me daar op een hele gewone zondagmiddag zomaar een stukje gefietst. En de warme zomerwind alle fietsmuizenissen uit mijn hoofd weg laten blazen.

Ik ga gauw weer een stukje fietsen.