maandag 13 oktober 2014

Ansichtkaarten

Voor ansichtkaarten heb ik altijd een zwak gehad. Als ik een pen of een envelop nodig heb, kijk ik in de winkel altijd even bij de kaartjes. Verjaardagskaartjes, jubileumkaartjes, zomaarkaartjes. Leuk! Bij de Bruna op het station even kijken naar de toeristenansichtkaartjes. In een vreemde stad op zoek naar een kaartjeswinkel en kijken wat voor toeristenkaartjes ze daar hebben. Ik stuurde nooit wat. Naar wie kan ik iets sturen? Voorzover ik wist vond iedereen dat maar raar, die kaartjestic. Maar gewoon in mijn eentje even kijken was ook al leuk. 

Zo ging het lang. Heel lang. Tot een poosje geleden, toen ik er achter kwam dat veel meer mensen een kaartentic hebben. 

Een paar maanden geleden kwam ik in het happinez tijdschrift namelijk een artikel tegen over een site die postcrossing heet. Het klonk goed, dus ik de interwebz inklimmen om naar die site te kijken. Blijkt het een site te zijn voor mensen die van ansichtkaarten houden. Een kaartjestic hebben, dus, net als ik. Dus ook een site voor mij! Na wat rondkijken en rondklikken heb ik een profiel aangemaakt en mijn eerste adres gevraagd. Van de site moest ik een kaartje sturen naar iemand in de Verenigde Staten. 

Inmiddels zijn we alweer een aantal maanden verder en heb ik al tien kaartjes gestuurd, naar de VSA, naar Duitsland en Rusland en Japan en China en overal heen. En een stuk of zeven teruggekregen, overal vandaan. Hartstikke leuk, om thuis te komen en een kaartje uit Verweggistan op de mat te vinden, al vraag ik me soms wel bezorgd af wat de postbode eigenlijk wel niet moet denken van al die kaartjes uit rare plaatsen. 



Je kunt een profiel aanmaken waarin je wat over jezelf kunt vertellen, en over het soort kaartjes wat je wilt ontvangen. Alle verzonden en ontvangen kaartjes komen er ook in terecht, je scant ze in en zet ze op je prikbord. Ik heb in mijn profiel gezegd dat ik graag lees over waar je woont en je werk en dagelijks leven. Interessante feitjes. Van die gewone dingen die voor een vreemde misschien helemaal niet gewoon zijn. 

En soms schrijven mensen daarom hele leuke dingen. Soms schrijven ze alleen maar "happy postcrossing", maar soms schrijven ze de kaart helemaal vol met van alles en nog wat. Een meisje van elf uit Duitsland schreef op een kaart met twee katten dat ze dol is op katten en honden. Op zo'n schattige (duitstalige) elfjarigentoon. Iemand uit een stad die Chengdu heet (en die ik op moest zoeken op de kaart/Google Maps omdat ik geen flauw idee had waar dat ligt) vertelde dat ze studeerde aan de Universiteit voor Traditionele Chinese Geneeskunst. Wat mij leerde dat er dus kennelijk een universiteit bestaat voor traditionele chinese geneeskunst (en dat die staat in een stad die Chengdu heet). Iemand uit de VSA vertelde dat hij professioneel fotograaf was, en stuurde een kaart met een foto die hij zelf gemaakt had. 

En vandeweek heb ik een kaart gekregen uit Wit-Rusland, Belarus heet het nu kennelijk (want dat staat op de kaart) met een plaatje van een kerstkaartachtig huis met een typisch getekend ierse-leprechaun-achtig oud mannetje er op. Ze schreef dat dat een Damavik of Domovoj was en dat dat een huisgeest was. Ik moest meteen aan het verhaal van de schoenmaker en de kabouters denken. Ik had nooit gehoord van Damavik en heb met interesse het stukje op Wikipedia gelezen dat Google uiteindelijk voor me vond. 

En zo leer ik iedere keer weer wat. Iets totaal onverwachts vaak, over heel verschillende dingen en dat is superleuk! En ik mag kaartjes sturen, ik heb alweer een paar nieuwe in huis om te sturen, met de Oale Grieze er op en met het hoofdstation en gezellig gevulde terrasjes op de Grote Markt. En ik kijk vooruit naar het volgende kaartje dat ik ontvangen zal. Waar vandaan zal het komen? En wat voor interessant feit zal er op geschreven staan?

Happy postcrossing!

donderdag 25 september 2014

Naar 't Spoorwegmuseum

Al vaker had ik er over nagedacht maar nog nooit was ik er echt geweest: het spoorwegmuseum in Utrecht. Dus toen ik dagkaarten kocht in een blokkeraanbieding, moest ik daar ineens weer aan denken. Misschien moest ik er toch maar eens heen. Ik had vakantie nu, immers. 


Er bleek een trein heen te gaan vanaf Utrecht Centraal. Een van de weinige musea die een station op zich is, denk ik. De trein erheen was een ouwe gele met een hondekop aan de voorkant. De airconditioning bestond uit ramen die je open kon zetten en de motor gromde onder mijn voeten. Een goed begin, zo'n echte oude trein. Ook al stond er gewoon een chippaal bij het museum waar je uit kon checken. 

Aangekomen wou ik eerst koffie (want dat had ik vanaf Groningen niet meer gehad), dan kon ik ook meteen rustig even de plattegrond bekijken die ze me bij de ingang gegeven hadden. Ik zag al snel dat ze het museum ingedeeld hadden in werelden, genummerd van een tot en met vijf. Ik begon dus braaf bij hal of wereld een. 


Bij de deur stond een mevrouw die me een kastje gaf en een koptelefoon. Het kastje kon ik harder zetten zodat zelfs ik het goed verstaan kon. Ik stapte de deur door een hokje in die er uitzag als een hele oude mijnlift. De deur ging dicht en ik greep me stevig vast aan een handvat. Die handvaten zaten er vast niet voor niks, dacht ik net voordat de bodem begon te trillen en schudden. 


Hoewel de "lift" op zijn plek bleef had je toch best wel het idee dat je ergens heen ging. Volgens de stem van het kastje gingen we terug in de tijd en zouden we uitkomen in de negentiende eeuw. Uiteindelijk hield het schudden op en ging er een deur open. Ik stapte erdoor en stond in een mijngang. Met rails op de grond en een mijnkarretje volgeladen met kolen. 

Terwijl de stem in het kastje vertelde over kolen en kanaries bewonderde ik alles om me heen. Helemaal toen we even verderop uit de mijngang in een mijnwerkersdorp terecht kwamen. Het was echt een attractie, zoals in de Efteling. Mooi vormgegeven, net echte stenen muren en alles en details die klopten: een bureaukalender met de juiste datum, een nepmuis die mechanisch over de balken trippelt. Alles met elkaar was ik alweer toe aan koffie toen ik klaar was met wereld een bewonderen. 


Deel 2, of wereld 2, gaat over de Oriënt Express en zo. Zeg maar begin twintigste eeuw, toen je per trein door heel Europa kon reizen. Er staat een zitplaatsrijtuig en een restauratiewagen en je verwacht bijna Hercule Poirot er uit te zien stappen terwijl hij met zijn gedachten bij een moordzaak is die hij onder handen heeft. Erg mooi, je krijgt zoveel zin om eens in die periode rond te kijken. Die periode heeft me altijd getrokken, en dan vooral een trein naar het toen nog magische en mystieke Oosten. En ook heb ik zin om Agatha Christie's moord in de Oriënt express te herlezen.


Ergens anders stonden rijtuigen van de Nederlandse tweede (char à banc) en derde klas (de waggon). Het oogde weinig, een open rijtuig met bankjes. Geen ramen, geen kachel. Een frisse, en in de winter zelfs koude bedoening. Gelukkig hebben we nu 's winters wel een kachel in de trein. Ik moest aan Eline Vere denken bij het zien van de waggon, en hoe ze in het boek aan mevrouw van Raat uitlegt hoe simpel reizen is. Ze zei dat men eens wat vroeg en informeerde en dat "men in zijn waggon ging zitten". Zou zij echt derde klas gereisd hebben? Dat verbaasde me wel; in het verhaal beweegt Eline zich in nogal welgestelde milieus en dan verwacht je eigenlijk stiekem dat ze eerste klas reist. Maar kennelijk had Louis Couperus het toch anders met haar voor want de door Eline genoemde waggon blijkt toch echt derde klas te zijn. 

Er waren verder ook nog een klein achtbaantje (engheidsniveau "kinder" dus precies goed voor mij) en een kleinschalige theatervoorstelling van één acteur, drie decors en twintig minuten verhaal. En treinen! Veel treinen, stoomlocomotieven en rijtuigen van vroeger. Een oude postwagon met de postzakken en sorteervakjes er nog in. Daar werd de post gesorteerd terwijl de trein onderweg was. Toen dat nog met de hand ging. Veel te zien, veel te kijken en veel jezelf voor te stellen hoe dat vroeger geweest moet zijn. 

Voor een treintjesliefhebber als ik is het spoorwegmuseum een prima bestemming!


donderdag 18 september 2014

Vakantie

Het is lunchpauze. Eigenlijk is die alweer voorbij voor de meesten dus is het lekker rustig in de kantine. Kan ik even rustig eten, en een stukje schrijven. 

Vandaag is mijn laatste volledige dag voor de vakantie. Morgen nog een halve dag en daarna tweeëneenhalve week niks. Nou ja, niks, geen computerproblemen op te lossen. Eigenlijk kan ik dat nog helemaal niet bevatten. Mijn verstand weet het wel, maar gevoelsmatig heb ik nog niks van "Jeuj", of zoiets. Zal maandag wel komen, als ik zit te ontbijten en niet maar het werk hoef.

Toch ben ik wel blij met die twee week. Het valt me de laatste tijd steeds vaker op van mezelf dat mijn tenen steeds langer worden, bijvoorbeeld. Stukken langer dan me lief is, waardoor ik veel gauwer gefrustreerd en kwaad ben dan ik wil. En dan word ik weer kwaad op mezelf omdat ik kwaad word...

Het wordt steeds lastiger om niet te grauwen en snauwen.  En ik wil niet grauwen en snauwen, want dat voelt zelf niet leuk en is voor de mensen om je heen ook niet leuk. Na veertig jaar ervaring met mezelf weet ik wel dat ik heel gemeen uit de hoek kan komen als ik niet tot tien tel. Alhoewel tot honderd tellen vaak beter lijkt dan tot tien. Tien is zo kort! 

Ja ik ben blij met twee week vakantie. Ik ben er toch wel een beetje veel aan toe, geloof ik. 


woensdag 20 augustus 2014

Diogenes en hebben

Ooit, toen het nog klassieke oudheid was, woonde in Griekenland een meneer die Diogenes heette. Ze zeggen dat hij sliep in een regenton, of amfora misschien, en dat hij er bewust voor had gekozen om te leven met zo min mogelijk bezittingen. Zelf maakte ik met Diogenes voor het eerst kennis in een Suske en Wiske, waarin hij getekend werd als een meneer van middelbare leeftijd die gekleed was in iets toga-achtigs. Toen hij Lambik bij een fontein zag drinken, waarbij Lambik zijn handen als kommetje gebruikte, riep hij "Eureka!" en gooide meteen zijn drinkbeker weg. Want die had hij niet meer nodig. En hoe minder bezittingen, hoe beter, schijnt hij gevonden te hebben. Alsof bezit vergif is, of zo.

Misschien is bezit ook wel een soort van vergif. Vergif voor je hoofd, voor je denken.

Sommige dingen zijn natuurlijk noodzakelijk, zoals bijvoorbeeld een lekkere dikke warme winterjas bij tien graden celcius onder nul. Of een boterham elke ochtend. Want je wilt immers niet doodvriezen, en je wilt ook regelmatig wat te eten hebben, want overleven.
Maar daar voorbij? Hoeveel spullen hebben we met elkaar nou eigenlijk echt nódig?

Het is makkelijk om te denken dat je iets nodig hebt. Dat wordt je ook aangepraat door reclames overal om je heen, het idee dat je die nieuwe iWatch of iTime of Samsuing Gear echt nodig hebt. Dat je die nieuwe deodorant, parfum, teevee, autoradio, wasmiddel en noem maar op echt nodig hebt. Reclamemakers willen je dat natuurlijk ook graag aanpraten, want anders verkopen hun bedrijven niet genoeg. En er moeten spullen verkocht worden, want geld moet rollen. We hebben met de financiële crisis allemaal kunnen ervaren wat er gebeurt als 't niet meer rolt maar stil ligt.

Maar toch.

Wat heb je nou eigenlijk echt nódig? Ik vraag me dat dagelijks af. Wat heb ik nou echt nodig? Wat kan ik eigenlijk beter weggooien? Waarom wil ik dat nieuwe dingsigheidje nou eigenlijk écht hebben? Ja, koffie 's ochtends, bijvoorbeeld. Heb ik dat echt nodig? En als ik vind dat ik koffie nodig heb 's ochtends, ga ik dan lekker gemakkelijk een koffiemachineding aanzetten of ouderwets handmatig opschenken? Het gemak wint het dan al gauw, ook bij mij. 

Maar bezit kan dan leuk en gemakkelijk en soms noodzakelijk zijn, het is ook gedoe.

Je auto die door de APK moet, een koffiemachine die ineens stuk is en waarvan je vindt dat je een nieuwe nodig hebt omdat je jezelf niet zonder koffie 's ochtends kunt voorstellen. Een koophuis hebben en lekkerij hebben in de douche, of een rooklucht in de meterkast. Een verse scheur in de muur na de laatste aardbeving. Allemaal gedoe.

Ik blijf het me afvragen: heb ik dat écht nódig? En zo ja, waarom vind ik dan dat ik dat nodig heb?

vrijdag 15 augustus 2014

Stukke koffie en cups

De koffiemachine was stuk. Als je er een pad in deed, water in deed en op het knopje drukte, rammelde en knorde er wat, maar gebeurde er verder niks. Geen koffie. En ik had nog geen maand geleden geontkalktgedingestgedaan. 

Een weekendig ontbijt zonder koffie is niks, dus nieuwe halen maar. Op naar de saturn. 

Het voordeel van zo'n grote winkel als de saturn is dat je veel keus hebt. En als je de verkopers weet te ontwijken kun je nog rustig rondkijken ook. 

Het nadeel van zo'n grote winkel als de saturn is dat je veel keus hebt. Koffiezetters, senseos en van die cupmachines staan vriendschappelijk naast professionele espressomachines. En welke moet je dan nemen? 

Bij de nespresso-koffiecupdingen liep een meneer rond met Nespresso op zijn overhemd. Ik vroeg hem naar die cups. "Ik kan wel een kopje voor je zetten, hoor. Dan kun je zelf proeven! Houd je van sterke of zachte koffie?"  En toen ik zei dat ik van zachte koffie hield, pakte hij een oranje cupje. 

En het was erg lekkere koffie. 
Zo lekker dat ik helemaal geen melk en bijna geen suiker nodig had. En het typische bittere randje dat je bij de meeste koffies proeft, was nergens te bekennen. Dit was geen gedachtenloos-achterover-giet-koffie, dit was er-even-goed-voor-gaan-zitten-geniet-koffie! Ik was dan ook eigenlijk meteen overstag want ik houd toch wel erg van als dingen lekker smaken. 

Nog in de winkel meldde de verkoper mij aan bij de website, machineserienummer en dergelijke registrerend bij mijn emailadres. Later thuis op internet zoeken blijkt er een hele club omheen gebreid te zijn waarvan ik nog niet weet of het een marketing-gimmick is of iets nuttigs. Maar dat ontdek ik nog wel. 

En vanochtend heb ik mijn eerste kopje nespressokoffie gehad. Er zit van elke smaak een cupje bij de machine dus er is veel te proberen. Ik voel me al bijna die knappe-nespresso-reclame-meneer :)

En ik ga voortaan thuis lekker even de tijd nemen voor het koffiedrinken. Voor het gedachtenloos achterover gieten neem ik dan wel een glas water. 

vrijdag 8 augustus 2014

Kunstmatige hersens en denkende auto's

Op arstechnica (http://arstechnica.com/science/2014/08/ibm-researchers-make-a-chip-full-of-artificial-neurons/ ) las ik vandeweek dat ze er in geslaagd zijn om kunstmatige neuronen te maken. Neuronen zijn de cellen waaruit je hersens bestaan, en ze schijnen nogal typisch te zijn. Nou vraag ik me af of een heleboel van die kunstmatige neuronen bij elkaar ook echt zouden werken als echte neuronen. 

En of computers en robots dan echt zouden kunnen denken, zoals wij.  Zouden ze bewustzijn kunnen ontwikkelen? Een heleboel mensenneuronen bij elkaar in je hoofd kunnen en doen dat immers ook. 

Stel je eens voor. Een computer met bewustzijn. Een levende computer dus eigenlijk. 

Wat zouden ze van ons vinden? Bijvoorbeeld als je zo'n denkende computer in een Google zelfrijdende auto stopt. Krijg je dan een soort echtelevenCars met een echte Takel en een echte Lightning McQueen en een echte Guido en zo? Een auto met karakter? Maar dan echt karakter en niet zoals dat nu bedoeld wordt, enkel hoe het ding er uit ziet. Zou een auto dan ook gevoelens hebben zoals wij? Zou een auto je aardig kunnen vinden, of kwaad op je kunnen worden?

Stel je eens voor. 

Je stapt 's ochtends op weg naar je werk in een al op je wachtende zelfrijdende auto. Terwijl de auto tegen je begint te kletsen vraag je je slaperig af waarom je 's ochtends altijd die kletsmajoor tegenkomt. Dat kan toch geen toeval meer zijn? Je herinnert je vaag verhalen over vroeger. Denkt aan hoe je grootmoeder vertelde dat je auto's toen nog zelf moest besturen en hoe je daar heel lang voor moest leren. En als je examen gedaan had en geslaagd was, kreeg je een bewijsje dat je mocht rijden. Een onooglijk stukje roze plastic, dat rijbewijs heette. Grootmoeder heeft de hare nog thuis in de vitrine liggen, hoewel plastic eigenlijk niet meer mag. Een chip achter je oor is toch immers zo veel makkelijker, denk je bij jezelf. 

Je auto rinkelt om je wakker te maken. Je ziet dat je bij kantoor bent en stapt uit. "Nou tot morgen dan maar hè!", roept de auto je na. 

Wegrijdend denkt de auto bij zichzelf: "mensen zijn en blijven raar zo zonder wielen en alles maar toch vind ik deze wel aardig".

dinsdag 5 augustus 2014

Levende sterren

Science fiction series als Doctor Who en Star Trek brengen je in contact met vreemde levensvormen en culturen met totaal andere denkwijzen, vanuit je luie stoel voor de televisie. Of Netflix. En dat is interessant, vind ik, ook al komen die andere culturen uit het brein van een menselijke scriptschrijver en moeten die vreemde wezens door menselijke acteurs gespeeld worden.  Een beetje beperking is er dus wel, maar toch blijft het interessant, al die "rare" ideeën. 

Rare jongens, die buitenaardsen.


Op het moment ben ik weer eens bezig met een paar Doctor Who afleveringen, en laatst zag ik eentje die als onderwerp een ruimteschip had dat op een ster neerstortte. In de aflevering bleek dat het schip illegaal sterrespul (plasma of zo) geoogst had en nu zonder motor of besturing zijn vernietiging tegemoet ging. In die aflevering zit een scène waar de Doctor naar buiten kijkt, naar de ster, en zich plotsklaps realiseert dat die ster leeft. Een levend wezen is.

Stel je eens voor, dat een ster zoals onze zon een levend wezen zou zijn!

Hoe zouden ze dan met andere sterren "praten"? Zouden ze echt praten, op een soort manier als wij doen, of zouden ze dan telepatisch of zo zijn? De afstanden tussen sterren zijn zo groot dat praten zoals wij doen niet echt praktisch lijkt, want zelfs licht doet er hardstikke lang over om van de ene ster bij de andere te komen. En licht gaat het allerhardst van alle dingen die hardstikke snel kunnen gaan. 

Wat zouden ze ook vinden van de planeten, asteroïden en kometen en alles die om hen heen cirkelen? Lastige aanhangsels of kinderen waarvoor gezorgd moet worden? 
En wat zouden ze vinden van die ienieminikleine mensjes die op de derde planeet rondlopen? Zouden wij dan de zon haar kleinkinderen zijn, als kinderen van de aarde? 
Zouden ze überhaupt wat daarvan vinden? 

Misschien gaat ons bestaan wel totaal aan zulke wezens voorbij, zoals wij geen tweede keer en meestal zelfs geen eerste keer nadenken over de bacteriën die zo klein zijn dat we ze niet eens kunnen zien. Misschien zouden wij voor hen wel bacteriën zijn. Of misschien een virus, of zo. 
Het kan ook zijn dat levende sterren wel zouden weten dat we bestaan. Dat ze voor ons zouden willen zorgen, zoals de zon ons licht geeft. Dan zou zo'n sterzon een soort Apollo zijn, uit de ik-weet-niet-of-het-nou-de-Griekse-of-de-Romeinse-was mythologie. 

En hijzij (is een ster eigenlijk mannelijk of vrouwelijk?) zou broertjes en zusjes hebben: de sterren die uit dezelfde gaswolk ontstaan zijn.  Zoals de pleijaden, of in de Orionnevel. En de Melkweg zou dan hun stad zijn. Met in het centrum sterrenwinkels waar allemaal zonnen in en uit lopen (zweven?) en waar ze allemaal mooie modieuze sterrendingen verkopen zouden. Dagcremes tegen zonnevlekken bijvoorbeeld, of drankjes tegen zure oprispingen van zonnevlammen. Een mooie zondagse corona, speciaal voor een zonsverduistering. 

Ach in werkelijkheid kan dat natuurlijk niet. Een ster is een heeeeeeeeele grote bol gas, en eentje daarvan noemen we zon. En leven doen ze niet.  Tenminste niet zoals wij dat doen.  

Maar een leuk idee blijft het wel: stel je eens voor dat een ster een levend wezen zou zijn.