dinsdag 20 juni 2017

Gestalked door de boordcomputer


In Star Trek weet de boordcomputer van de Enterprise altijd precies waar je bent op het schip. Commander Riker kan daarom op de brug aan de computer vragen wat de locatie is van de kapitein, en dan te horen krijgen dat die zich in holodek 3 bevindt. Je wordt gestalked door de computer zolang je aan boord bent.

Daar stond ik vroeger eigenlijk nooit zo bij stil.
Maar nu wel.

Als ik tegenwoordig Star Trek zit te kijken, vraag ik me wel eens af hoe dat nou beveiligd is, dat de computer alles van je weet. Je ziet daar in de serie nou nooit wat over. Het is in elk geval niet aan schip gebonden: als ze een verlaten ruimtestation vinden, kan Geordi LaForge gewoon bij alle logboeken komen, ondanks dat hij niet bij de bemanning van het ruimtestation hoort.

Misschien is het wel gebonden aan rang, gecombineerd met stemautorisatie of zo. Je hoort in de serie af en toe wel eens dat ze deurbeveiliging van een of ander appartement uitschakelen, daarvoor roepen ze een bepaalde autorisatie, die meestal bestaat uit hun naam gevolgd door één of andere code ( iets als "Authorisation Riker-Omega-Three" of zo). Dus er is wel iets van beveiliging, kennelijk gebaseerd op spraakherkenning plus een code die je uit je hoofd moet weten.

Als je dan een stem-nadoe-apparaatje hebt, moet je de echte persoon eerst verleiden tot het geven van zijn of haar echte code. Nu ik dit zit te tikken, bedenk ik me ineens dat dát ook ongeveer is wat er gebeurt in de aflevering "Ship ina Bottle": op het holodeck weet Professor Moriarty door een handig staaltje misleiding Captain Picard te verleiden tot het geven van zijn autorisatiecodes.

Hardop roepen van je autorisatie is dus alleen handig als je zeker weet dat er niemand anders meeluistert. Gelukkig weet je dat aan boord van een federatiesterrenschip meestal wel aardig zeker.

Misschien moest ik wat Deep Space Nine afleveringen gaan kijken, om eens te zien hoe ze daarmee omgaan aan boord van een ruimtestation waar Jan en alleman komt passagieren.
En je dus niet zomaar kan weten dat er alleen "veilige" oren meeluisteren.

woensdag 3 mei 2017

Te hard, maar waarom?

Laatst reed ik te hard. Een heel klein beetje maar, en ik wist het ook alleen maar omdat mijn tegenwoordige auto een digitale snelheidsmeter heeft, die me vertelde dat ik 72 reed waar ik 70 mocht. Toen ik voorbij het flitskastje reed, dacht ik even bij mezelf: “Oh shit, nou word ik geflitst!”. Maar vanwege die zoveel-procent-correctie die de politie altijd toepast, werd ik niet geflitst toen ik voorbij dat vermaledijde flitskastje op de ringweg reed. Een kleine zucht van verlichting was het resultaat, want ik geef mijn geld liever uit aan leukere dingen dan boetes.

Te hard rijden doen we allemaal wel eens, maar soms vraag ik me toch wel af waarom. Een paar dagen geleden reed ik op de snelweg van Groningen richting Assen, en omdat je daar 130 mag, reed ik daar 130. Altijd de maximumsnelheid rijden als dat weerstechnisch gezien verantwoord is, zo leerde mijn rijinstructeur mij ooit. De anderen op de weg rijden namelijk ook hard, dus je aanpassen is het veiligst.

Goed, ik reed dus 130. Best wel snel, of niet? Toch haalden veel auto’s mij in met een flinke vaart. Ze moeten minstens 150 gereden hebben en misschien wel harder. Dan zit ik achter het stuur te foeteren en vraag ik me af waarom ze dat doen (“ik rij ja al hartstikke hard!”, roept het stemmetje in mijn achterhoofd dan), ondanks dat ik ergens ook wel weet dat ik eigenlijk geen haar beter ben. Soms vraag ik er wel naar, en dan krijg je antwoorden als “eerder thuis zijn”, en “tijd besparen”. Een enkeling zegt iets met “leuk” of “kick” er in.

En als ik een poging doe om uit te rekenen hoeveel tijd je zou kunnen besparen, denk ik dat de mensen die tijd besparen wel veel meer waarde hechten aan tijd dan ik. Reken maar eens mee: als je 200 kilometer moet rijden (dus zeg maar Groningen naar Utrecht), en je doet dat met gemiddeld 120 kilometer per uur, dan ben je 200/120=1,66 uur onderweg als er geen files staan (hé, niet lachen daar achterin). Da’s ongeveer 1 uur en 40 minuten. Rijd je die 200 kilometer met gemiddeld 140 kilometer per uur, dan ben je 200/140=1,42 uur onderweg. Da’s ongeveer 1 uur en 25 minuten. Je bespaart dan dus maar een kwartiertje op meer dan anderhalf uur, is dat nou echt dramatisch veel? Zij vinden van wel, in elk geval.

Maar ja, aan de andere kant, ik rijd zelf ook wel eens te hard. Soms is dat gewoon leuk, en misschien zit er diep in mijn hart ook wel een klein coureurtje te wachten tot ‘ie naar buiten mag komen. Nu ik een auto heb met cruise-control, die ik in de bebouwde kom vast kan zetten op een brave 50, gaat het wel meteen een stuk beter, al heb ik dan wel het onaangename gevoel dat ik in een slak zit als ik net van de snelweg kom.

De volgende keer dat ik zit te foeteren op snelheidsduivels, kan ik daarom misschien beter eerst eens kijken naar de splinter in mijn eigen oog. En denken aan dat kleine coureurtje in mijn hart, dat eigenlijk geen haar beter is.

dinsdag 25 april 2017

Bullet journal

Zelf gehandletterde kaft van mijn eerste bullet journal
Recht is nog niet echt een sterk punt

Een poosje geleden kwam ik tijdens een ogenblikje gezellig pinteresten het begrip "bullet journal" tegen. Eerst had ik geen flauw idee wat dat was, maar na even googlen kwam ik een buzzfeed-artikel tegen die het allemaal wel redelijk duidelijk uitlegde. Het idee leek me meteen wel wat, al had ik eigenlijk geen flauw idee waarom eigenlijk.

"Iets met handig, misschien", dacht ik bij mezelf.

Omdat ik eigenlijk geen flauw idee had waarom het me wat leek, liet ik het idee eerst maar eens rustig bezinken. Eens kijken of het idee me één of twee maanden verder nog steeds een goed idee lijkt.

Intussen ging ik wel lustig verder met mijn nieuw gevonden hobby: handletteren. 't Is niet echt kalligraferen en 't is niet echt tekenen, maar het zit er een beetje tussenin. Tekenen vond en vind ik leuk, en kalligrafie ook, dus dit handletteren zit precies tussen twee dingen in die ik leuk vind om te doen, en leek me dan ook meteen wel wat.

En ik vind het ook leuk.
Erg leuk.

Graag zit ik te tekenen en te oefenen, en even graag zit ik op internet te kijken naar wat anderen doen. Terwijl ik dus op pinterest eigenlijk naar handletteringdingen zat te kijken, kwam ik het begrip bullet journal tegen. En nog een keer. En nog eens.

Misschien moest ik het ook maar eens proberen, dacht ik bij mezelf. Het leek me nog steeds wel wat, al heb ik nog steeds geen flauw idee waarom precies.

Dus ben ik gisteravond mijn eerste bullet journal begonnen. In een oud schetsboekje dat ik nog had liggen en waarvan ik de kaft zelf gehandletterd heb. Scheef gehandletterd helaas, maar ach. "Schaif stoat laif", zeggen ze in het Gronings.

En ik heb nog steeds geen flauw idee wat ik er van ga vinden, maar ik ben wel heel benieuwd!

donderdag 13 april 2017

Ouderwetsche kompjoeterspelletjes

Rechts de iCade, achterin Mario Kart en in het midden de counterstrikers

"We gaan een game-avond organiseren", riep de poster bij de koffie-automaat. Een Retro-game-night. Met drinken en pizza en allerlei videospelletjes. Oude videospelletjes natuurlijk, want anders is het niet retro. Er zouden twee gamecubes zijn en er kon gecounterstriked worden. Gewoon bij ons in de kantine, georganiseerd door collega’s. Voor onszelf, door onszelf.


Het leek me leuk, dus ik gaf me op.

De avond zou om half zes beginnen, maar dat was ik ‘s ochtends helemaal vergeten dus ik begon gewoon net zo vroeg als normaal. En was dus om half vier ‘s middags klaar, veels te vroeg! Voordat de gamenight begon, heb ik ter voorbereiding dus maar even een uurtje zitten gamen. Oké, het was maar minecraft :). Maar toch.


Eindelijk, half zes! Op naar de kantine!

De kantine was al behoorlijk vol, er hadden zich veel mensen opgegeven. Op het grote projectiescherm kon gemariokart worden omdat daar de eerste gamecube aan geknupt was, met een iets kleiner projectiescherm ernaast waar de tweede gamecube aan hing. De twee gamecubes, waren ook aan elkaar geknoopt zodat we met acht mensen tegen elkaar konden racen. Dat leek me wel wat, en omdat er nog een controller over was toen ik binnenkwam, deed ik meteen mee!
de iCade, hier met Mrs. Pacman

Om prompt een smadelijke nederlaag te lijden, want ik werd zevende van zeven deelnemers. Maar het was wel erg leuk, en ook een hele uitdaging om op de baan te blijven. Toen ik nog een teevee had, hing daar een Wii aan en daar heb ik ook veel op gemariokart, maar dat was toch wel makkelijker dan op deze GameCube. Later ging ik even kijken naar de anderen die aan het karten waren. Er werd veel geroepen om het poppetje op het scherm aan te sporen: “kom op!”, en “NEEEEEEE!” en “ja zeg, wat doe je nou!” Er werd gelachen om eigen en andermans fouten, en om winst en verlies. Er werd gevloekt als het poppetje uit de baan, op een banaan of op een koopa-schild vloog. Het was geweldig leuk!

Maar er was meer te doen dan karten alleen, dus na een paar pizzapunten weggewerkt te hebben ging ik eens in de rest van de kantine kijken. Op de tafels stonden hele rijen laptops, daar gingen ze dus counterstriken en zo. Even verderop stond op de bar een iCade en die moest ik natuurlijk even uitproberen! Ik kwam er al gauw achter dat ik die oude arcadegames al heel lang niet meer gespeeld heb: bij Donkey Kong Jr. kwam ik niet verder dan het eerste level, en ook Lady Bug ontaardde in een smakelijke nederlaag. Met Mr. Do ging het beter: daar kwam ik vol trots tot level 6 voordat ik weer een pizzapunt burgemeester ging maken.
Racen maar! Mario kart op de GameCubes.

Later werd vanaf de tafelvoetbaltafel geroepen dat ze nog één speler nodig hadden om twee tegen twee te kunnen spelen. Ik zwaaide terug en haastte me er heen. Harco viel aan en ik keepte. Eerst ging het niet zo goed: het stond al gauw 6-1 in ons nadeel. Maar toen kwamen we goed opgang en ineens was het gelijk. Van 6-6 werd het 6-7 en 6-8. Daarna scoorden wij weer twee maal en werd het 8-8. Toen 8-9 en 9-9 en ten slotte verloren we met 9-10.

Later werd ik moe, en ben ik met een kopje thee nog eens her en der wezen kijken, alvorens moe maar tevreden richting huis af te reizen.  Het was een avond vol smadelijke en smakelijke nederlagen voor mij. Maar ook een avond met een hoop lol!

En zeker voor herhaling vatbaar.

zondag 9 april 2017

Ongewenste tijd


(Standbeeld van Chronos in de begraafplaats Staglieno
in Genua - Wikipedia)
Tijd is welbeschouwd maar een raar iets, denk ik vaak. Aan de éne kant willen we er allemaal heel veel van hebben, aan de andere kant doen we ons stinkende best om er zo weinig mogelijk van te hebben. We verlangen met ons allen intens naar weekenden en vakanties en zulks wat meer. Wie is er niet blij met die éne extra paas- of pinkstermaandag waardoor je een dag langer weekend hebt en een dag minder werkweek?

Ongelimiteerde tijd hebben voor van alles en nog wat lijkt veel van ons een zalige luxe: ik weet nog dat een kennis van mij met de VUT zou gaan, en erg vooruit keek naar het moment dat hij niet meer hoefde te werken, want hij had het wel gehad met de plaagdierbestrijding waar hij deel van was. We hadden het er wel eens over, en ik dacht dat hij in het begin best wel in een gat zou vallen: de eerste paar week zullen net vakantie lijken, maar daarna dan? Niemand belt je meer, geen werk meer om naartoe te gaan, niemand die jou meer nodig heeft. Op den duur komen daar wel weer dingen voor terug als je er naar zoekt, maar eerst moet je door dat niks heen.

En inderdaad, na een paar maanden VUT zei hij: "Ingrid, je had gelijk. Ik viel inderdaad in een gat."

Dus tijd is maar een raar ding. Als je 't niet hebt, wil je er veel van, maar als je 't éénmaal wel hebt, wil je 't schijnbaar zo gauw mogelijk weer kwijtraken.

Want als je die tijd éénmaal hebt, wordt er wel van je verwacht dat je iets dóet. Je verwacht het ook van jezelf. Wij mensen móeten iets doen, schijnbaar, zelfs zover dat we onszelf vertellen dat ledigheid des duivels oorkussen is, terwijl we stiekem jaloers zijn op de kat die in de warme zomerzon ledig ligt te wezen. Zoals ik ooit in een stripalbum las: "Ooit waren we holbewoners en aten we bessen in de zon. Nu werken we 48 weken van het jaar keihard om vier weken bessenijsjes te kunnen eten in de zon".

Nee, wij voelen ons geroepen om iets te doen, en we roepen elkaar ook op om iets te doen. Let maar eens op bij jezelf hoe je reageert als iemand je vertelt dat hij of zij een paar weekjes vakantie heeft. Veel mensen vragen dan meteen iets als: "En? Al plannen?", of "En wat ga je doen in je vakantie?" of zoiets.


Vrij hebben of VUT hebben, we moeten wat doen van onszelf. Op vakantie gaan, toeren met de nieuw aangeschafte tweedehandse camper, klussen, gastouderen, noem het maar op. Je moet wat nuttigs met de tijd doen die je ineens in overvloed hebt. Op de één of andere manier verwacht niemand van je dat je lekker lui op de bank hangend gaat netflixen.


Zoiets zie je ook terug in taal: als je het druk hebt, moet je tijd maken, maar als je het rustig hebt, moet je ineens met die gemaakte tijd allerlei gewelddadige dingen doen: tijd moet ineens gedood worden, en uurtjes moeten ineens stukgeslagen worden.

Wat nog eens extra vreemd wordt, als je beseft dat tijd in onze westerse cultuur meestal voorgesteld wordt als een "Vadertje tijd", een Chronos. Zie jij jezelf al de zandloper van zo'n oud mannetje stukgooien? Of zo'n oud mannetje doodmaken, omdat je tijd moet doden? Ik niet.

Nee, tijd is maar een raar iets.
Of je het nou hebt of niet.

maandag 3 april 2017

Zwijmelen


Peter Facinelli als Carlisle Cullen
Twilight, New Moon


Bekentenis: ik heb wat ze in het engels zo treffend een "guilty pleasure" noemen. Een schuldig pleziertje, dus. Eentje die veel mensen hebben, maar die ik van mezelf eigenlijk niet mag hebben en waar ik me zelfs een beetje voor schaam. Daarom is het voor mijn gevoel een guilty pleasure.

Ik mag af en toe graag zwijmelen. En dat mag ik eigenlijk helemaal niet van mezelf. Het liefste zwijmel ik over Twilight. En dan speciaal over die dokter, Carlisle Cullen. Hij kijkt altijd zo lief, en zo lief als hij met zijn vrouw Esmé omgaat… In werkelijkheid is dat allemaal natuurlijk maar een creatie van de schrijfster en de acteurs en regisseurs en cameramensen en zulks wat meer, maar toch. Ik vind het fijn om daar af en toe even bij weg te dromen.

Een hoop mensen mogen af en toe graag even zwijmelen, dat bewijst het aantal kazige boeketreeksboekjes in de schappen van de supermarkt wel. Dus eigenlijk is het heel gewoon, en normaal en zo. Maar toch mag ik het niet van mezelf. Ik maak mezelf graag wijs dat ik verstandig ben en rationeel en zulks wat meer, en even lekker wegzwijmelen past daar niet in. Toch doe ik het af en toe, dus soms zit mijn verstand best wel op het reservebankje.

Ik doe het af en toe: zwijmelen. Ik schaam me er wel voor, maar ik doe het toch. Zo sterk soms, dat ik soms zelfs mijn eigen verhalen er over schrijf, en die publiceer op een fanfictie-website (ja ja, dat mijn vrouwelijke hoofdpersonen IT-ers zijn is echt geen toeval hoor).

Oké, waarom je af en toe graag even lekker mag wegkruipen in je eigen fantasie is gemakkelijk genoeg uitgelegd natuurlijk. Helemaal in de tijd van Trump, Wilders, Le Pen en Pegida, die toch wel serieuze en belangrijke problemen op zo'n manier proberen op te lossen dat ze er alleen maar erger op schijnen te worden. Dat gedeelte lijkt niet zo moeilijk uit te leggen.

Maar waarom die vampiers uit Twilight? En waarom dan specifiek die dokter? Ik zou best wel willen weten hoe het voelt om Esmé te zijn, maar waarom wil ik dat eigenlijk?

Als ik mijn verstand even op het reservebankje zet en mijn fantasie laat ratelen, komt er wel het één en ander aan antwoorden op die vraag: hij is zo lief, en hij is zo dol op zijn vrouw in de films! Kijk ze maar eens, overal waar je Carlisle en Esmé ziet, of het nou op de voorgrond of in de achtergrond is, ze zijn echt ontzettend gek op elkaar, op het kleffe af. Superverliefd. En als je in de boeken leest dat ze bijna honderd jaar getrouwd zijn…zo lang met elkaar getrouwd en dan nog steeds zo superverliefd op elkaar, is dat niet supersprookjesachtig romantisch?

Maar lang getrouwde stellen die nog steeds superverliefd zijn, bestaan in de echte wereld ook. Binnen mijn eigen familie zelfs. Toegegeven, ook daar vind ik het erg mooi en romantisch om te zien en kan ik er echt heel erg van genieten om simpelweg in hun gezelschap te zijn en te zien hoe ze met elkaar omgaan, maar dan zit ik er niet bij te zwijmelen. Dus waarom bij Twilight dan wel? Omdat dat fictie is? Omdat die dokter gewoon ook heel erg knap is?

Allememachies wat zou ik me dáár voor schamen als knapheid uitmaakt. Dat mag voor mij helemaal niet uitmaken van mezelf. Maar wat als het dat toch doet?

Terwijl mijn verstand op het reservebankje zit, kan het daar mooi eens op kauwen terwijl ik zwijmel. Of anders een goede smoes verzinnen, voor het geval knapheid inderdaad uitmaakt, want dat wil ik eigenlijk helemaal niet weten over mezelf.

donderdag 30 maart 2017

Botserig toeval


Soms hè! Soms!
Soms zie je klein maar zulk stom toeval dat je alleen nog kunt denken "hè??".

Zoals vandeweek.

Het was lunchtijd en ik had mezelf in de kantine neergepoot aan een tafeltje bij het raam met een baguette kaas/gezond en een bospaddenstoelensoep. En een smoothie na. Even lekker rustig eten en even lekker rustig naar buiten kijken. Niet dat er zo veel spannende dingen te zien zijn bij ons op de parkeerplaats, maar even relaxt naar een wormenzoekende merel of zo kijken in de lunchpauze is doorgaans best leuk.

Een eindje verderop ging een auto weg.
Hij stond op een ietwat onhandige plek, de aanwezigheid van een lantaarnpaal aan de ene kant en een vlaggenstok aan er tegenoverliggende kant (het is vakparkeren bij ons) maakte het uitdraaien een uitdaging. De bestuurder had kennelijk haast want hij probeerde met een voor mijn gevoel iets te enthousiaste snelheid zijn metalen gevaarte uit de parkeerplaats te wurmen.

En hij zag de vlaggenstok daarbij over het hoofd.

Vanachter mijn plekje achter het raam in de kantine een eindje verderop zag ik het gebeuren. En zoals je dat dan instinctief doet, riep ik "ho nou, ho nou, remmen!" tegen het glas. Totaal zinloos natuurlijk want de bestuurder hoort je toch niet door het glas van het gebouw en het glas van de autoruit heen. Gelukkig was de kantine nog leeg :) en kreeg ik geen rare blikken toegeworpen.

BOTS.

De vlaggenstok trilde maar bleef keurig staan en in de achterbumper van de auto zat nu een ienieminie deuk. Je moest heel goed kijken om hem te zien, maar hij zat er wel.

Oeps.

Nou ja, die dingen gebeuren soms, nietwaar?
Ik keerde terug naar mijn soep om even later een andere auto te zien vertrekken. Deze stond naast de vlaggenstok en had last van de er tegenover gelegen lantaarnpaal. Ook hij vertrok met een fikse kijk-mij-eens-stoer-zijn snelheid. En voordat ik helemaal beduusd "HO NOU" kon roepen tegen het glas:

BOTS.
En toen stond de lantaarnpaal nog schever dan eerst en zat er een deukje in zijn achterbumper.

Oeps.

Een keer oeps is tot daaraan toe. Maar twee keer oeps zien gebeuren binnen een paar minuten is toch wel een relatief zeldzaam toeval. Een toeval dat je bijblijft, dat wel.

zondag 19 maart 2017

Een wintersportverhaal

Laatst was er weer eens een schrijfcafé, en uit alle 5-minuten-hier-en-3-regels-daar-opdrachten rolde aan het eind dit verhaal


De weide van wit van de sneeuw. Stiekem vroeg hij zich af of er boven op de bergtop een Heidi woonde, met haar grootvader. Nu hij voor het eerst in winters Zwitserland was, vond hij het nogal wat voor zo'n oude baas om bovenop een alp te wonen, maar als je er al je hele leven woonde wist je natuurlijk niet beter. Terugdenkend aan de vele middagen dat hij het verhaal had zitten voorlezen aan zijn zieke zus, veronderstelde hij wel dat het een schamel leven geweest moest zijn. In ieder geval zouden Heidi en haar grootvader beter kunnen skieën dan hij. De eerste paar lessen waren geen succes geweest en hij had het maar opgegeven. Volgend jaar ging hij wel naar de Rivièra of zo.


Hij vroeg zich af waarom hij altijd opgaf. Opgeven liep als een rode draad door zijn doelloze leven. Het enige waar hij keihard voor gevochten had, was het leven van zijn zus, zijn lieve Marie. Trouw had hij aan haar bed gezeten, met zijn negen jaren wist hij heel goed hoeveel hij om haar gaf en hoeveel juist de kleine dingen voor haar betekenden. Een verse kop thee, een koud kompres voor haar koortsige voorhoofd, haar voorlezen of simpelweg zijn huiswerk maken. De namen van de landen samen opzoeken op de wereldbol die vader hen cadeau gedaan had, en fantaseren hoe het daar zou zijn, welke feesten ze daar zouden vieren, welke taal ze zouden spreken en wat ze leuk en niet leuk zouden vinden. Ooit zouden ze er samen naartoe.


Niks te doen. Niksniksniksniks. Aan de koffie na het ontbijt terwijl zijn reisgenoten op de piste stonden. Of anders er naartoe onderweg waren met die vreselijke stoeltjeslift. Hij verveelde zich en speelde gedachtenloos met het koekje dat bij zijn koffie zat. Misschien moest hij over zijn zieke zus gaan schrijven. Gewoon voor zichzelf, en over dat alles wat hij gedaan had voor haar toch niet had kunnen voorkomen dat ze dood ging. Doorzetten was zinloos, had hij toen geleerd, maar vaak dacht hij dat dat misschien wel niet klopte. Als hij alles uit zijn hoofd kon krijgen, kwam hij daar misschien wel vanaf. En bovendien had hij nu toch niets beters te doen.


Nadat zijn koffie op was, toog hij de kou in naar het enige winkeltje in dit kleine alpendorp, om potloden en een schrift te kopen. De dagen er op kon men hem naarstig bezig zien, het potlood als een levend wezen over het papier dansend, terwijl hij met zijn gedachten in die slaapkamer was, duitse woordjes repeterend terwijl zijn zuster sliep, de gordijnen gesloten tegen de schelle middagzon. Wat zou hij niet geven voor nog één laatste gesprek met haar!


De rust werd ruw verstoord toen zijn reisgenoten terug kwamen van de piste. Sjaals en wanten vlogen her- en derwaarts toen ze neerploften en om glühwein vroegen. Flink veel, want ze wilden graag dronken worden. Opeens kwam hem dat zinloos voor, en hij verkoos het gezelschap van zijn zuster, ofschoon zij nu nog enkel bestond in de woorden die hij aan het goedkope schriftje had toevertrouwd. Hij mompelde een excuus en vertrok naar zijn kamer.


Nee, wintersport was niks voor hem. Oh zeker, het was een mooi land, net een levende kerstkaart, maar skieën was niks voor hem, en après-ski ook niet echt. Het gaf hem een gevoel van weglopen voor zichzelf. De anderen zouden dat niet snappen, die dachten simpelweg aan lol maken. Maar hun definitie van lol kwam toch niet echt overeen met het zijne. Nee, volgend jaar bleef hij wel mooi thuis.


Het begon weer te sneeuwen en een poosje zat hij te staren naar het neerdwarrelende wit. In het echt leek sneeuw meer op watten dan op de mooie zeskantige kunstwerken die je onder de microscoop zag. Gelukkig gingen ze morgen terug naar huis, en vol verwachting keek hij uit naar zijn straat, zijn voordeur, zijn woonkamer, zijn oude koffiemok en zijn bed. Hij hoefde alleen vandaag nog maar door te komen en dan was het achter de rug. En hij was er ook wel klaar mee, eigenlijk. Wel zou hij het schriftje meenemen naar huis, en hij beloofde zichzelf om elke avond voor het slapen gaan aan zijn zuster te schrijven. Wie weet was ze nu wel een engel en zou ze in zijn dromen terugschrijven.

dinsdag 7 maart 2017

Moi!


Gronings spreken is niet één van mijn sterkste punten, en schrijven nog veel minder. Maar ik versta het goed genoeg om alles van Radio Noord te kunnen volgen, ook de streektaalprogramma's. En sommige streektaalwoorden zijn voor mij zo gewoon dat ik ze dagelijks gebruik.

Moi, bijvoorbeeld.

Moi is een groet. Je spreekt het net zo uit als hoi, maar dan met een m. Al zeggen sommige mensen liever "mojjjjjjj" of zelfs "mojjjjjjeeehhhhh". Het is een lekker simpel woord, en ook lekker algemeen. We zeggen het 's ochtends, 's middags, 's avonds en 's nachts als we iemand begroeten, en we zeggen het ook als we afscheid nemen. Het is dus eigenlijk "goedemorgen", "goedemiddag", "goedenavond", "goedenacht", "hoi", "doei" en "tot ziens" bij elkaar, verpakt in drie letters.

En zoals al die andere groeten, kun je het als groet gebruiken, maar ook bijvoorbeeld om te zeggen dat je iets helemaal niet van plan bent. Op die plek waar je in het Nederlands dus een sarcastische "ja dikke doei!" of zo zou gebruiken, kun je hier in het lage noorden ook iets zeggen als "ja mojjjeeehhhhhh". Of eigenlijk "joa mojjjjeeehhhhh", want ja wordt joa in het Gronings.

Als wij Groningers dan in niet-moi-zeggende streken van Nederland komen, passen wij ons natuurlijk aan (nou ja, de meesten van ons dan. Ook wij hebben horken helaas). Meestal stappen we dan over van moi naar hoi, want dat is makkelijk omdat ze maar één letter verschillen.

Maar omdat moi ook als afscheid, als "doei" gebruikt kan worden, krijgen we natuurlijk soms wel rare gezichten omdat we door al dat ge-moi dat we gewend zijn, in plaats van doei soms hoi gaan zeggen bij het afscheid. Omgekeerd kun je daaraan ook toch wel vaak een verwesterst Groninger herkennen. En als iemand hoi tegen mij zegt bij het afscheid, zeg ik stiekem soms moi terug :) en kijk ik hoe ze kijken.

Nou, moi hè!

donderdag 12 januari 2017

Jaknikker


Wikimedia Commons - user Oudehampsink - Eigen werk, CC BY-SA 3.0     
 In zuidoost Drenthe zit olie in de grond, zo rond Schoonebeek. Die werd en wordt gewonnen met jaknikkers. Van die grote pompen die heel de dag ja-knikkend van dat zwarte spul uit de grond op staan te pompen. Bij ons geen boortorens zoals in films over Texas en in de Lucky Luke-stripalbums (al zie je in die films en documentaires soms ook jaknikkers).

Het eerst hoorde ik het woord jaknikker op een schoolreisje ergens aan het einde van wat toen nog de lagere school heette: ik weet niet meer waar we heen gegaan waren, maar mijn herinnering tovert een beeld van een kleine tentoonstellingsruimte met uitleg over de oliewinning in Drenthe. Compleet met een kleine echt werkende jaknikker van technisch lego of mecano of zoiets.

 "Kijk", zei de leraar die pal naast me kwam staan, "dat heet een jaknikker, omdat hij heel de dag ja knikt." Wat ik terug zei weet ik niet meer, maar ik weet nog wel dat ik hem niet geloofde. Ik dacht dat ik voor de gek gehouden werd, zoals ik zo vaak voor de gek gehouden en gezet werd op die leeftijd. Daar wordt een mens wantrouwig van, en dus geloofde ik voor geen meter dat een jaknikker een jaknikker heet.

Maar toch had de leraar toen gelijk, en heet zo'n ding inderdaad echt jaknikker!

In het engels blijkt - volgens wikipedia - het ding een heel rijtje ook leuke namen te hebben: pompkrik, oliepaard, oliekrik, ezelpomper, knikkende ezel, hobbelpaard, sprinkhaanpomp, Grote Texaan en meer.

Ik vraag me dan wel weer af waar de namen sprinkhaanpomp ("grasshopper pump") en hobbelpaard ("rocking horse")  vandaan komen. Grote Texaan ( "Big Texan") kan ik me nog wel wat bij voorstellen, want Texas is zo bekend om zijn olie dat je er zelfs in de Lucky Luke-albums tegenaan loopt. 

Maar als ik een jaknikker zie, denk ik niet het eerst aan sprinkhanen en hobbelpaarden.  Anderen toch wel, kennelijk.