zondag 23 december 2012

De Mythengang - een verhaal

Hoog in de bergen, waar sneeuw en ijs nooit smelten, leeft de Mythengang. Hij strekt zich uit tussen twee valleien, van een ijzige grot aan de rechterkant via de tunnel door de bergen die hijzelf is, tot een eendere ijzige grot aan de linkerkant. Vaak kijkt hij nieuwsgierig neer op de valleien aan beide kanten, om te zien wat de tweebeners-mensen aan het doen zijn.
Hij is al zo oud, dat hij moeite moet doen om zich zijn jonge jaren te herinneren. Toen was alles vurig. Zijn moeder, Gaia, liet vulkanen lustig spuwen en lava volop vloeien over haar huid. En de kleine tweebeenwezentjes van wie hij nu zo hield, bestonden toen nog niet.

"Moeder Gaia, vertel eens hoe alles begon", vroeg hij op een dag.
"Wel mijn lieve zoon", zei Moeder Gaia, "het eerste begin heb ik niet zelf meegemaakt, dat was voor ik geboren was. Volgens mijn vader, Vader Sol, was er in het begin een gaswolk. Dat waren de resten van een oude, gestorven ster. Uit die wolk is Vader Sol geboren, en mijn broers en zusters en ik ook. Het begin was heftig. Op een dag raakte een van mijn broeders de controle kwijt, en vloog uit de bocht, recht op mij af. We botsten keihard tegen elkaar, en er vloog een hoop van mij weg de ruimte in. Het heeft lang geduurd voordat ik over die schrik heen was, maar toen uit de brokstukken broeder Maan geboren werd, was ik toch wel gelukkig met Maan.
Later, toen mijn buitenkant vaste rots geworden was, voelde ik iets hoog in de hoogste bergen. Iets bijzonders. Ik concentreerde me op dat vonkje, voedde het. En toen werd jij geboren, mijn zoon."

Zijn eerste herinnering was de rots om hem heen, en het witte spul dat er op lag. IJs noemde Moeder het. Aan zijn beide kanten lagen diepe valleien, en nieuwsgierig keek hij neer op het groene spul daar beneden. Met het verstrijken der seizoenen zag hij hoe het ijs smolt, en als reactie daarop kwamen er allemaal kleurige plekjes op het groene spul. Piepkleine levensvonkjes zwermden er tussen door. Dat waren bloemen en bijen, wist hij nu. Zijn herinneringen sprongen naar een ander punt in de tijd en glimlachend dacht hij terug aan de dieren die gekomen waren. Ze waren steeds groter geworden, totdat het bijna zelf wel lopende bergen leken. En toen waren ze ineens weg, en bleven de kleine dieren over. Weer vroeg hij zich af wat er toen toch gebeurd was, maar hij wist inmiddels wel dat Moeder Gaia daar niet over wou praten. "Hou je liever bezig met die tweevoeters die in jouw valleien zijn aangekomen", zei ze dan.

Dus begon hij de tweebeners te observeren.

Hij had al gauw door, dat zevan de andere vallei niets wisten. De bergen waren zó hoog, dat er bijna nooit iemand van de ene kant naar de andere kant reisde. Hij wist dat ze door hem heen konden trekken, maar op de één of andere manier deden ze dat nooit. Ze waren bang voor hem. Misschien vonden de tweebeners het ook wel te koud. Ze bleven altijd onder de groen-grens. Hij keek in de verte. De vallei aan zijn linkerkant kwam uit op een grote vlakte, met grote bouwsels er op. Er woonden een hoop mensen bij elkaar op een plek. Veel te veel, dacht hij, maar de mensen leken het prettig te vinden om met zo veel op een plek te zijn. "Ach", dacht hij toegeeflijk, "ze zijn ook immers zó klein!"

Aan zijn rechterkant ging het heel anders, de vallei bestond uit op bossen en velden. Er trokken groepen mensen doorheen, die nooit erg lang op één plek bleven. Ze bouwden dan kleine huisjes van hout, en braken die weer af als ze verder trokken. Het verbaasde hem wel, want de mensen aan de linkerkant bouwden zulke grote gebouwen, terwijl de mensen aan de rechterkant bleven jagen, planten verzamelen en hun kleine, tijdelijke houten huisjes bleven bouwen. Zo'n groot verschil!

Hij wist nog dat een van de houten-huisjes-mensen de bergen introk. Een vrouwelijk exemplaar, zag hij. Het was hem een raadsel waarom de vrouwtjes er zo anders uit moesten zien. Moeder Gaia en haar broeders en zusters leken eigenlijk allemaal wel op elkaar: rond, als een bol, en ze draaiden allemaal in hun eigen baan om de grote, lichtschenkende Grootvader Sol. Maar bij de kleine wezens waren vrouw en man duidelijk gescheiden. En bij de tweebeen-mens was dat het duidelijkst. Vooral bij de mensen aan de rechterkant. Het was hem al vaak opgevallen dat de vrouwtjes daar ondergeschikt waren aan de mannetjes. De vrouwtjes werd vaak pijn gedaan als ze niet snel genoeg deden wat de mannetjes wilden. Geen wonder dat dat éne vrouwtje ontsnapt was.

Hij zag dat ze achtervolgd werd, en dat zat hem niet lekker. Dat was de eerste keer dat hij besloot om in te grijpen, en hij trok het vrouwtje met een gedachte naar zich toe. Als ze door hem heen naar de andere kant kon vluchten, zou ze goed terechtkomen, dacht hij.
Hoe dichterbij ze kwam, hoe beter ze zich voelde. Hij was verbaasd dat hij de gevoelens in deze kleine tweebeners zo makkelijk kon manipuleren. Hij moest toch eens uitzoeken hoe dat kon. Hij schonk het vrouwtje vrije doorgang naar de andere vallei, en keek toen kwaad naar de achtervolgende mannetjes. Hij zag hoe bang ze werden toen hij echt kwaad op ze werd. "Net goed", dacht hij. "Wees maar flink bang". Hij schudde flink wat stenen uit de bergwand los en liet die in een machtige aardverschuiving naar beneden tuimelen. Dat zou hen vast wel duidelijk maken dat ze niet verder mochten.

Toen hij zag dat de achtervolgende mannetjes gillend rechtsomkeert maakten, keek hij weer naar het vrouwtje. Ze was uitgeput van het rennen. Hij streelde haar met een gedachte en riep met een ingeving de grote-witte-gebouwen-mensen aan de andere kant naar zich toe. Die zouden goed voor haar zorgen. Daar zorgde hij wel voor.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen