woensdag 16 januari 2013

121876: Een echte ouderwetse kroeg

Een vervolgverhaal over een maatschappij waar de mensen geen namen, maar nummers hebben.
deel 3: Een echte ouderwetse kroeg!
121876 was met de bus naar het centrum van de stad gegaan. Eigenlijk kwam hij hier nooit meer. Vroeger gingen ze nog wel eens winkelen, maar sinds je de overstraalpads had, werd alles wat je nodig gehad gewoon van de webshop naar je toe gestraald. Slenterend door de oude straten zag hij dat het er nogal troosteloos uitzag allemaal. De meeste winkels waren weg. Elke etalage was een zwart gat van leegte. Een langgerekte piep klonk boven hem. Hij keek op en zag een gedachtenstraler. Hij zuchtte. Nou ja, in een winkelstraat aan winkels denken was in elk geval logisch, daar konden ze hem toch niet op pakken.
Een eindje verderop begon een ouder en gehavender deel van de stad. Dit stuk was nog zoals het vroeger was, zag hij, nog niet herbouwd. En hier zaten zelfs nog wat echte winkels. Hij bleef een poosje staan voor de etalage van een antiekzaak, kijkend naar iets vaag bekends. Dat had hij eerder gezien, maar wat was dat toch?

“Een mooi stukje antiek is dat, niet?”,  klonk onverwachts een stem naast hem. Hij keek om en zag een grijsharige man staan in een donkerbruine regenjas, leunend op een wandelstok. Op de één of andere manier wekte hij een sympathieke indruk.
“Ja, ik probeer me te herinneren waar dat ook alweer voor was”, antwoordde 121876.
“Da’s een biertap”
“Een biertap?”
“Wel eens gehoord van een kroeg?”
Ineens begon het 121876 te dagen. Er kwam een onderdrukte herinnering boven drijven van een lange donkerbruine hoge tafel met daarachter zo’n glimmend geval. Er werd een glas onder gehouden, de hendel werd overgehaald en toen stroomde er vloeistof uit de kraan. “Een biertje, en doe de kleine jongen maar een ranja!”, hoorde hij zijn vaders stem zeggen. 
Toen wist hij weer dat dat een bar was, en dat er bier getapt werd. 

“Ja, ik weet het weer.  Mijn vader ging vroeger vaak naar de kroeg, en ik mocht als kleine jongen soms mee”, zei 121876.
“Een machtig mooie tijd was dat”, zei zijn metgezel.
“Ik zou best wel eens weer in een kroeg willen kijken. Jammer dat ze niet meer bestaan.”
Zijn metgezel wierp een blik op hem. Lang was het stil, de vreemdeling dacht duidelijk diep na. Ineens vroeg hij zachtjes: “Mag ik je wat laten zien? Maar je mag het niet verder vertellen. En je mag er al helemaal niet aan denken bij een gedachtenstraler!”. Overrompeld stemde 121876 toe. 
“Oké dan”, zei zijn metgezel, “je moet goed opletten want de volgende keer moet je het alleen kunnen vinden”. 121876 werd door een reeks straatjes geloodst die steeds smaller werden. Uiteindelijk kwamen ze bij een grijze kelderdeur. Door de afbladderende verf was te zien dat het ding ooit donkerrood geweest was. “Je moet één keer lang en twee keer kort bellen. Anders doen ze niet open”, zei zijn metgezel. 

De deur ging open, schielijk stapten ze naar binnen en meteen sloeg de deur weer dicht. Een in het groen geklede vrouw ging hen voor door de hal en door nog een deur. “Verboden voor gedachtenstralers”, stond er op de deur. Uiteindelijk kwamen ze uit in een grote ruimte. Verbaasd keek 121876 om zich heen. Er stonden tafeltjes waar mensen aan zaten en aan de ene lange kant was een bar. Een vrolijk rumoer vulde de ruimte. Hij keek nog eens rond. Een échte bar, met échte ouderwetse barkrukken ervoor. Zijn metgezel draaide zich om en stak zijn hand uit. “Ik ben Jan Pietersen”, zei hij. 

“Een náám? Maar die zijn verboden, die bestaan niet meer!”, riep 121876 verbaasd uit. 
“Hier niet. Hier hebben we gewoon namen, naar de hel met die stomme nummers, die stomme gedachtestralers en die stomme grote leider!”, foeterde Jan. 
“En hoe heet jij? Je ziet er oud genoeg uit om nog een naam gekregen te hebben toen je geboren werd”. 
121876 stond even met zijn mond vol tanden. Een onderdrukte herinnering kwam bovendrijven, van een vrouw die zich omdraaide en tegen hem zei: “Hé Ruben van Oostergast, hoe is het?”. Een gelukzalig gevoel spoelde door 121876 heen toen hij besefte dat hij zich net zijn eigen naam herinnerd had. Hij had een náám!
121876 greep Jan zijn uitgestoken hand en zei: “Ik ben Ruben. Ruben van Oostergast.” 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen