woensdag 6 februari 2013

121876 in de heropvoeding



Een vervolgverhaal over een maatschappij waar de mensen geen namen, maar nummers hebben.
deel 1 - deel 2 - deel 3 - deel 4 - deel 5  - deel 7 - deel 8

deel 6: In de heropvoeding



Een twinkelend deuntje klonk op schuin boven hem; hij keek op en zag het musje vrolijk kwetterend op de vensterbank zitten. Het diertje had zich - zoals elke dag - door de tralies heen gewurmd en kwam nu zijn dagelijkse kruimeltje brood halen. 
121876 koesterde dat musje. Elke dag bewaarde hij een beetje van het grauwe kampbrood voor het diertje. Elke dag kwam het diertje terug, dan zat het eerst - net als nu - een poosje te kwetteren en te kwinkelen op de rand van de grauwe stenen vensterbank, om daarna op de vloer neer te strijken. 121876 voerde hem dan de kruimeltjes brood die hij zorgvuldig bewaard had. Zachtjes fluisterde hij dan lieve woordjes tegen het musje, als was het diertje een geliefde zoon. “Wat is een musje toch een prachtig dier!”, dacht hij dan.

Toen het brood van die dag op was, hupte het musje weer op de vensterbank, zat nog even naar 121876 te kijken, wurmde zich door de tralies heen en fladderde even later in de buitenlucht. 121876 sprong op en keek door de tralies naar het kleine vierkantje lucht dat hij kon zien en dat nu blauw was. Kennelijk was het mooi weer, en hij stelde zich voor hoe de zon zou schijnen en hoe hij in de vogelhut verscholen zou zitten, toen de deur van zijn cel met een klap opengesmeten werd. Een tweetal struise monitorders stond in de deuropening, hun verdwijners op zijn borst gericht. “Meekomen!”, blafte de grootste. Een huivering trok over zijn ruggegraat toen hij gedwee opstond en de eerste monitorder volgde terwijl de tweede achter hem aan kwam. 

Ze brachten hem naar een ruime, lichte, ovale ruimte met een stoel in het midden. Ook in de jaren voordat hij gevangen genomen werd, had 121876 al geleerd deze stoel te vrezen, de gruwelverhalen die de ronde deden over deze stoel waren talrijk. Met een wee en angstig gevoel in zijn maag ging hij op de stoel zitten, waarna direct de arm- en beenkluisters werden vastgezet. Nu kon hij geen kant meer op. Met een blik vol intense haat staarde hij naar de verdwijner waarmee hij bedreigd werd, terwijl de andere monitorder de gedachtenkap op zijn hoofd vastmaakte. “Praten of gemarteld worden?”, zei de monitorder tartend in zijn oor. Sinds de uitvinding van de gedachtenkap was martelen nog nooit zo effectief geweest, ze konden je willekeurig welke verhalen en pijn voortoveren door de hersenbeïnvloeding van de gedachtenkap. Vroeg of laat was het onvermijdelijk dat je aan de mensen dacht die je probeerde te beschermen; en als de monitorders op dat moment een gedachtenstraler bij de hand hadden, was het gedaan met Jan, Jetta en Dirk en hun vrienden.  

Later werd hij wakker op zijn eigen bed in zijn cel. Vaag herinnerde hij zich nog hoe de monitorders hem half bewusteloos terug naar zijn cel hadden gesleept. Hij deed een poging op te staan en merkte dat zijn hele lijf pijn deed, maar hij moest echt wat drinken hebben. Schor lachte hij; het was hem gelukt om niet aan Jan, Dirk en Jetta te denken en om niet aan de kroeg te denken en aan al die mensen die tegen de regering waren en uit protest elkaar bij de naam noemden in plaats van bij nummer. Hij pakte de waterkan, nam een slok en kromp in elkaar van de pijn toen het vocht zijn gehavende keel passeerde. 121876 had duidelijk een zware sessie achter de rug, hij moest lang en hard geschreeuwd hebben van de pijn om zo’n zere keel te krijgen. Maar na een half jaar gevangenschap was hij inmiddels wel wat gewend. Achteloos haalde hij zijn schouders op en nam nog een slok. Even keek hij omhoog naar het kleine vierkantje lucht dat hij vanuit zijn tralieraam kon zien. Het was zwart, met een enkele pinkelende ster. In de verte op de gang klonk commotie; er zou wel een nieuwe gevangene binnengebracht worden. “Arme stakker”, dacht 121876 medelijdend.

Voor de tweede maal die dag werd zijn deur opengesmeten en stonden twee monitorders in de deuropening. “Opstaan!”, werd 121876 toegeblaft. Monitorders konden ook nooit eens iets normaal zeggen. Zijn pijnlijke lijf gehoorzaamde instinctief zo snel mogelijk aan de monitorders, maar niet snel genoeg want hij werd onzacht overeind gesleurd. Hij voelde hoe zijn armen op zijn rug in kluisters gezet werden en even later verdween de wereld toen zijn hoofd onder het gevangenmasker verdween. Daas vroeg hij zich af waar dit nou allemaal goed voor was. Ach, wat kon het hem ook allemaal schelen, vroeg hij zich af. Alles wat beter dan die martelstoel, zelfs het vuurpeloton, de guillotine en de brandstapel zou hij verwelkomen. 

Hij werd de deur uit en de gang op gedirigeerd. Rechtdoor, linksaf, rechtsaf, hij was al gauw de weg kwijt, maar naar de ovale ruimte met de stoel gingen ze kennelijk niet want die weg kende hij inmiddels en die was anders. Even later stootte hij zijn scheenbeen tegen een opstapje, klunzend stapte hij twee tweetjes op en even later werd hij hardhandig op een bak neergezet. Hij hoorde een scherpe klik toen zijn handboeien ergens aan werden vastgemaakt, gevolgd door de harde dreun van een deur en het grommen van een vrachtwagenmotor. Ineens werd 121876 zijn hoofd helder en besefte hij dat hij kennelijk op transport gesteld was. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen