zondag 10 februari 2013

121876 op zilveren vleugels


Een vervolgverhaal over een maatschappij waar de mensen geen namen maar nummers hebben. 
deel 1 deel 2 deel 3 - deel 4 deel 5 - deel 6 - deel 7 



deel 8: op zilveren vleugels

121876 zat op het trapje van de veranda met brood in zijn schoot en kwetterende vogels om zich heen. Vandaag was het zover, maar voordat hij zich in zijn zakenman-vermomming hees, wou hij eerst nog even rustig de vogeltjes voeren. Om hem heen vochten mussen en merels vrolijk kwetterend om het brood dat hij rond strooide. Zelfs een vogel was niet helemaal vrij, bedacht hij, het moest immers zorgen dat het te eten kreeg en zo. 

“Ben je al omgekleed?”, klonk een stem van binnen. 121876 schrok op. “Nee, nog niet, ik zit bij de vogels”, riep hij terug. Iemand grinnikte. “Natuurlijk zit ‘ie weer bij de vogels! Hij is nog erger dan Dirk de Vogelaar.” 121876 stond op, voerde de laatste restjes aan de vogels en liep vervolgens het trapje op naar binnen en liep door naar zijn slaapkamer. Het pak dat hij zou dragen, hing al klaar en hij trok het aan. Eigenlijk zat het best goed, bedacht hij. Maatwerk had toch zo zijn voordelen. Hij bekeek zichzelf nog één laatste keer in de spiegel. Hij was er klaar voor. Hij moest wel.

“En? Zit het goed zo?”, vroeg hij in de huiskamer aan de vrouw die hem naar het vliegveld zou brengen. Ze trok zijn stropdas recht en gaf hem een kus. “Denk eraan dat de mensen op het vliegveld denken dat we getrouwd zijn!”, grijnsde ze. “Vergeet niet dat je mee moet spelen en dat alles van vandaag afhangt.” Ze pakte haar handtasje, trok haar veel te korte rokje recht en gleed soepel achter het stuur van een wachtende luxe uitziende mercedes. Hij volgde haar en plofte neer op de passagiersstoel. De auto zoefde weg terwijl hij checkte of zijn valse paspoort samen met het vliegtuigticket in zijn binnenzak zat. Hij vroeg zich nog steeds af waar dat vandaan kwam, maar ze zouden hem dat nooit vertellen, wist hij inmiddels. “Alleen willen weten wat je echt moet weten”, was het devies. Wat je niet wist, kon je ook niet per ongeluk verraden aan een gedachtenstraler.

Inchecken was zo gepiept, ontdekte hij op het vliegveld. Beveiliging zou langer duren; er stond een hele lange rij voor de enige bodyscanner die in bedrijf was. Hij ging in de lange rij voor de scan staan en hield zijn gedachten zorgvuldig bij de producten die hij zogenaamd zou gaan verkopen en die hij de afgelopen week allemaal uit het hoofd geleerd had. De beveiliging zou gedachtenstralers hebben en de bodyscanner ook, dus moest hij zijn gedachten onder controle hebben. Naast hem babbelde zijn “vrouw” over ditjes en datjes. Langzaam kwam de scanner dichterbij en toen was hij ineens aan de beurt.
“Nou, ik mag niet verder mee”, pruilde zijn vrouw. Ze sloeg haar armen om hem heen en ze namen afscheid met een innige kus. “Tot volgende week, ik zal je missen hoor!”, zei ze nog voordat ze zich omdraaide en weg wankelde op haar onmogelijk hoge hakken. Hij liep door de scan en hoorde de langgerekte piep van een gedachtenstraler. “Alles goed, doorlopen!”, zei de barse stem van de bewaker afgeleid terwijl hij de wiebelende hoge hakken en het ultra-korte rokje reikhalzend nakeek. 
Gauw liep 121876 door, weg van die scan. Daar was hij doorheen, de eerste hindernis was genomen. Hij kocht een kopje koffie bij een koffiebar en sjokte toen naar de gate vanwaar zijn vliegtuig zou vertrekken, in gedachten bezig met het samenstellen van zijn zakenmannen-verkooppraatje. Om zich heen kijkend zag hij dat het vliegveld vergeven was van de monitorders en de gedachtenstralers, hij mocht nu beslist niet uit zijn rol vallen! 

Uiteindelijk ging de gate open en werden de passagiers geroepen. Hij mocht eerst met zijn eerste-klas-ticket. “Ik ben een succesvol zakenman, natuurlijk mag ik eerst”, zei hij in gedachten tegen zichzelf. Hij hoorde de bekende langgerekte piep en wachtte rustig  af tot de monitorder zijn gedachtenstraler gecontroleerd had. “Goede vlucht meneer!”, wenste de steward hem toe toen hij door de monitorder doorgewuifd werd. Met knikkende knieën liep hij het vliegtuig in en nam plaats. Hij wist dat gedachtenstralers in het vliegtuig verboden waren, maar durfde zijn gedachten nog niet ongecontroleerd te laten zwerven. Even later ging de deur van het vliegtuig dicht en kwam het toestel met een schok in beweging. Ogenschijnlijk verveeld maar in werkelijkheid ingespannen en aandachtig luisterde hij naar de stewardess die uitlegde wat ze in noodgevallen moesten doen terwijl het vliegtuig naar de startbaan taxiede. Hij werd steeds nerveuzer en moest steeds meer zijn best doen om blasé te lijken. De zakenman die hij speelde had vast al heel vaak gevlogen, die zou beslist niet nerveus zijn. 
De stewardess ging zitten en deed haar veiligheidsriem vast. Even later schrok hij op toen  de motoren luid begonnen te brullen, het vliegtuig kwam met een schok in beweging en ging sneller en sneller, en ineens zag hij uit het raampje dat de grond wegviel. Ze waren in de lucht! Hij voelde hoe zijn maag samen met zijn darmen vrolijk een rondje door zijn buik walste en sloot zijn ogen om te doen alsof hij sliep. Hij hoefde het spel nog maar even vol te houden. Hij was er bijna.

Al een hele poos vlogen ze boven water. Hij had gedaan alsof hij sliep en zelfs een poosje echt geslapen, zodat de stewards hem met rust zouden laten. Toen hij wakker was geworden, had hij door zijn wimpers naar buiten zitten kijken. Nu kwam in de verte een kuststrook dichterbij, zo uit de lucht was goed te zien dat het een eiland was. Het vliegtuig was al een poosje geleden begonnen te dalen, het eiland was hun eindbestemming. “Aloha”, stond er op een groot gebouw, met “Honolulu International Airport” er onder. Steeds lager gingen ze, en ineens landden ze en direct daarna voelde hij hoe het vliegtuig ineens sterk afremde. Het leek wel alsof de piloot aan de noodrem getrokken had. Al kon dat natuurlijk niet, want een vliegtuig had geen noodrem. Toen het toestel uiteindelijk stilstond en de passagiers er uit mochten, wist hij niet hoe snel hij zijn koffertje moest pakken. Snel door de bagage-reclaim en de douane, en daar stond hij dan buiten! Ietwat verlaten en hulpzoekerig keek hij om zich heen, hij had geen flauw idee waar hij nu heen moest. Voordat hij rare dingen kon doen, riep een stem vrolijk “Aloha”, en kreeg hij een bloemenkrans om zijn nek gehangen. Een veel te blond bloemenmeisje sloeg haar armen om zijn nek en begroette hem onfatsoenlijk uitbundig, terwijl ze in zijn oor fluisterde: “U bent nummer 121876, genaamd Ruben van Oostergast, en ik ben gestuurd om u op te vangen.”

Later die dag zat hij op het trapje van de veranda van zijn huisje te kijken naar de ondergaande zon. Zijn eigen, nieuwe huisje. Hij had een huisje, en dan nog wel een strandhuisje! Hij kon het nog maar amper beseffen: het was gelukt! Hier zat hij dan, ver weg van monitorders en gedachtenstralers, uit te kijken over het strand voor zijn eigen kleine huisje, nadenkend over wat er allemaal gebeurd was en plannen makend voor de bar en de vogelopvang die hij zou beginnen. En dat dacht hij allemaal zomaar buiten, op het trapje van de veranda. Geen loodgordijnen die dicht moesten, geen schielijk om je heen kijken omdat een gedachtenstraler je misschien kon betrappen. Hij voelde zichzelf net een vogel in de lucht.

Hij stond op en liep naar de vloedlijn. De branding ruiste hem tegemoet.

Hij spreidde zijn armen en liet de zachte zeewind langs zijn lichaam strijken, zo voelde het bijna net alsof hij een vogel was. Keer op keer schreeuwde hij zo hard hij kon tegen de golven: “Ik Ben Ruben! Ik Heb Een Naam!” 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen