woensdag 13 februari 2013

Herinneringen van een appel


Naar aanleiding van het stukje “Herinneringen aan een appel” vroeg ik me op een gegeven moment ineens af wat er in het stukje gestaan zou hebben als het “Herinneringen *van* een appel” zouden zijn. Wat zou een appel in je fruitmand te vertellen hebben als ze praten kon? Hoe zou zij tegen het opeten van een appel aankijken? Daar zat vast wel een stukje in, dus met een appel als inspiratie op het bureau, greep ik naar het toetsenbord:


Ons leven begint als bloem. Zo uiteraard dus ook in mijn geval. Ik was een mooie witte bloem en zat met mijn broertjes en zusjes op een van de langste takken van Moederboom. De mensen vonden ons mooi en kwamen vaak speciaal naar ons kijken. Moederboom en haar zusters zagen er dan ook erg mooi uit, met ons op haar takken. 
Er stonden vijf Moederbomen in onze gaard, allemaal vol met bloemen. Mijn hemel, ik heb meer broers en zusters dan ik kan tellen! Om nog maar te zwijgen over alle neefjes en nichten van de andere Moederbomen. Wij zaten bijna op de punt van de langste tak van onze Moederboom, en hadden daarom een erg mooi uitzicht. Naar beneden kijkend zagen we gras, waar koeien overheen liepen en van aten. Naar boven kijkend zagen we de blauwgrijswitte lucht, waar de regen en het zonlicht vandaan komen. Wij bloemen wisten dat we mooi waren en dachten dat het altijd zo zou blijven. Ach ja, die heerlijke jeugd…

Maar het bloemleven duurt niet lang. Ik weet nog hoe mijn zusje geschrokken was toen ze ineens een blaadje kwijt was! Moederboom legde toen uit dat dat ons allemaal overkomt, we beginnen als bloemen, en als we volwassen worden, groeien we uit tot vruchten. Ze is een wijze boom, onze Moederboom. Het vooruitzicht van onze prachtige blaadjes kwijtraken vonden wij bepaald onaangenaam. Nu waren we immers mooi; wie weet wat we zouden worden. Moederboom drukte ons herhaaldelijk op het hart dat we ook weer mooi zouden worden, maar onder elkaar bleven wij bloesems er over fluisteren, terwijl de wind onze blaadjes van ons aftrok en als sneeuw op het gras liet dwarrelen. 

Uiteindelijk kwam de dag dat we allen onze blaadjes kwijt waren, wat voelden we ons kaal en onaanzienlijk toen. We hingen maar stilletjes aan onze tak te hangen, de vrolijke drukte van onze bloesemdagen was helemaal weg. Er kwam ook niemand meer naar ons kijken. Alleen de koeien bleven rondlopen op het gras onder ons. Het was een sombere tijd. 
Langzaamaan echter, merkten wij dat we begonnen te veranderen. We groeiden. We veranderden in groene, kleine bolletjes en we keken wie er het groenst en het rondst was. Terwijl de regen en het zonlicht ons voedden, werden wij steeds groter en zwaarder. Moederboom begon te klagen over ons gewicht, zeggend dat wij een steeds zwaardere last voor haar vormden. Onze tak begon door te buigen, en het zusje dat als eerste haar blaadje kwijtgeraakt was, werd nu ook als eerste geel. Moederboom waarschuwde ons dat we binnenkort onze eigen weg moesten gaan; we zouden geplukt worden door de mensen. Moederboom leerde ons dat wij een taak te vervullen hadden; een taak die zou beginnen als wij geplukt zouden worden.

En inderdaad kwamen de mensen met hoge houten ladders, en ze plukten ons. Bedroefd namen wij afscheid van Moederboom en kwamen wij zij aan zij in een rieten mand terecht. Het was een vreemde gewaarwording, ik had nooit bij mijn zusjes kunnen komen omdat wij nu éénmaal aan de tak vastzaten, en nu lagen wij pardoes bovenop elkaar en door elkaar in die rieten mand. Mensen kwamen weer naar ons kijken, zeggend dat wij zo mooi rood en geel waren, en dat wij er zo goed uitzagen. Wij werden weer bewonderd en dat deed ons goed!
Nadat vele mensen ons bewonderd hadden en een aantal van mijn zusjes verdwenen waren, werden vijf van ons overgeheveld van de rieten mand naar een donkere boodschappentas, en even later van de boodschappentas naar een mooi mandje op een tafel. En in dat mandje lig ik nu, samen met mijn vier zusjes. 

Ik besef dat mijn einde nadert, men zal mij hoogstwaarschijnlijk willen opeten. Moederboom heeft ons hier terdege op voorbereid, opgegeten worden is de natuurlijke loop der dingen. Hoewel ik niet bepaald naar vooruitkijk, weet ik dat het mijn taak is om smakelijk en sappig te zijn en om opgegeten te worden. Moederboom heeft ons goed opgevoed. Ons leven lang hebben wij regen en zonlicht gegeten, en als tegenprestatie dienen wij nu opgegeten te worden. Zo wordt ieder wezen dat eet, op zijn beurt ook weer opgegeten. “Eten en gegeten worden”, zei Moederboom daarover, “zo gaat dat bij ons”. 
Maar als je je tanden in mij zet en proeft hoe smakelijk en sappig ik ben, denk dan nog eens aan Moederboom, en ga bij haar op bezoek om haar te vertellen dat wij ons correct en gewetensvol van onze taak gekweten hebben en dat wij tot het laatst aan Moederboom dachten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen