woensdag 27 oktober 2010

maandag 28 juni 2010

Panem et circenses



Normaal ben ik niet zo'n sportkijker. Live erbij zijn vind ik bij sommige sporten nog wel leuk, bijvoorbeeld bij stijldansen, shorttrack schaatsen en american football, maar op de televisie naar sport kijken vind ik maar niks. Ik verveel me dan zó gauw! Maar deze dagen zit iedereen aan de buis gekluisterd te kijken naar de verrichtingen van 11 meneren in oranje t-shirts in Zuid-Afrika. Dus dacht ik toch maar eens te gaan proberen om een voebalwedstrijd te kijken. Wie weet zou ik het wel leuk vinden.

De eerste groepswedstrijd van het nederlands elftal zou op een maandagmiddag gespeeld worden. En bij ons op het werk in de kantine kon je dan naar het voetbal gaan kijken, samen met je collega's. Dat leek me wel een goed moment om het eens te proberen: naar een voetbalwedstrijd kijken. Dan moest ik immers wel kijken; ik kon niet stiekem internetten, of een goed boek lezen, of iets anders doen wat thuis normaliter mijn aandacht van de televisie af zou leiden. Dus toen de wedstrijd begon zat ik (helemaal achterin) de kantine naar de wedstrijd te kijken. Ik was er al gauw achter dat voetbal mij nog steeds niet boeit, maar kreeg er wel plezier in om mijn voetbalminnende collega's te bestuderen.

Ze zaten namelijk vol aandacht te kijken. Hier en daar werd fluisterend met een buurman of -vrouw van gedachten gewisseld over de wedstrijd. Het was muisstil, je kon een speld horen vallen. Totdat het nederlands elftal een doelpunt scoorde: als één man stond iedereen op om te juichen. Ook de rest van de wedstrijd leefden de mensen helemaal mee, kreten van teleurstelling toen een nederlander nét miste, nogmaals gejuich toen het nederlandse team weer een doelpunt scoorde. En na de wedstrijd ging iedereen vrolijk en opgewekt weer aan het werk om de verloren werktijd in te halen. Het schoot me door mijn hoofd dat je zo eigenlijk geen kind had aan al die mensen, en onwillekeurig moest ik even denken aan de oude romeinen. Je weet wel, die militairen uit de Asterix-strips, die door Obelix steevast "rare jongens" genoemd worden. Die gaven hun volk immers brood en spelen. Tweeduizend jaar later is het dan bier en voetbal geworden, maar is er wel zoveel verschil tussen toen en nu?

Want zolang ze voetbal kijken, heb je geen kind aan voetballiefhebbers. En er zijn ongetwijfeld niet-zo-aardige mensen op deze wereld die vinden dat mensen zich beter druk kunnen maken om doelpunten van FC Groningen (of Ajax of Feyenoord voor de niet-Groningers onder u misschien) dan over de wereldpolitiek. Verdeel je volk in aanhangers van de verschillende elftallen en heers over hen.
Zoiets.

Maar alles met elkaar genomen denk ik dat ik voetbal toch beter vind dan gladiatorengevechten; die laatste waren zó bloederig! Dat dat kon, en dat mensen dat zelfs graag wilden zien geeft wel duidelijk aan dat de romeinse cultuur heel anders was dan die van ons is. Nu zou zo'n gevecht niet meer kunnen, zelfs al zouden de deelnemers dat vrijwillig doen.
Soms vraag ik me af of gladiatorengevechten écht altijd tot de dood gingen; want als dat zo was, hoe kwamen ze dan aan nieuwe goedgetrainde gladiatoren? Mensen opleiden kost tijd tenslotte, dat was toen niet anders dan nu. Als je te veel wedstrijden houdt, hou je op een gegeven moment maar één gladiator over, en tegen wie moet hij dan vechten? De onoverwinnelijkheidsdrank van Panoramix zal in het echt niet bestaan hebben, denk ik zo, dus moet je tijd steken in opleiden van mensen (want soldaten kun je natuurlijk niet gebruiken, wie verdedigt dan nog de grenzen van het rijk?).

In ieder geval lijkt het me toe dat de grote lijnen in tweeduizend jaar tijd niet echt veranderd zijn: je kunt als leider je volk kennelijk nog steeds tevreden houden met brood en spelen. Maar de spelen zelf en de mensen die er naar kijken zijn gelukkig wél beschaafder geworden want we hoeven nu niet meer zonodig mensen dood te zien gaan in de arena.

Voetbal is zo slecht nog niet.

Ciao,
Ingrid.

maandag 7 juni 2010

WK, WK

Het Wereldkampioenschap Voetbal staat weer voor de deur. En zowel in de winkels als op straat is dat inmiddels goed te merken. In de winkels is het al oranje wat de klok slaat, en in de straten hebben sommige mensen hele straten en pleinen versierd met oranje vlaggetjes en oranje slingers enzo. Mensen vinden de combinatie "Nederlands Elftal" en "Wereldkampioenschap" duidelijk erg interessant.


Zelfs op de televisie en op internet kan ik er niet meer omheen. Ik kijk niet zo heel veel naar de televisie, en als ik kijk, kijk ik meestal naar National Geographic. En zelfs die proberen een graantje mee te pikken van de algehele WK-gekte want ze hebben een documentaire gemaakt over de bouw van de WK-stadions in Zuid-Afrika. En op bushokjes zie ik posters met de vraag of ik WK-ready ben, en op internet word ik lastig gevallen door nogal opvallende reclames met soortgelijke vragen. Alles en iedereen is oranje en die paar mensen die niet meedoen worden meewarig aangekeken.


Maar zo'n WK-gekte geldt alleen voor voetbal. Voor andere sporten komen mensen hun deur niet uit, en cameraploegen ook niet zo veel, lijkt het. Zo ben ik afgelopen zondag bijvoorbeeld naar een wedstrijd American Football geweest en heb ik ontdekt dat ik dat spectaculairder vind om te zien dan gewoon voetbal. Maar veel publiek trekt dat niet in Nederland, vergeleken met de overvolle stadions die de Eredivisie bijvoorbeeld trekt. Het rare is, dat rugby (mag ik eigenlijk wel rubgy zeggen?) aan de andere kant van de oceaan veel populairder is dan ons voetbal. Een eender verschijnsel doet zich voor bij schaatsen: heel Nederland volgt het lange-baan-schaatsen, maar van shorttrack heeft bijna niemand gehoord. En ook dat is in Amerika precies andersom.


En er zijn zoveel onbekende sporten te ontdekken die hardstikke tof zijn. Wat te denken bijvoorbeeld van curling of korfbal of concours hippique of dressuur of typisch amerikaanse paardensporten als "reining" en "cutting" (erg spectaculair! wikipedia )? Nou ja, concours hippique zie je af en toe nog wel eens op de televisie, dus cameraploegen interesseren zich daar in elk geval wel voor. En op de Duitse televisie is heel af en toe nog wel eens een stijldanswedstrijd te zien. Maar als één van de Nederlandse stijldansers naar het wereldkampioenschap mag, zie ik geen oranje straten en ook geen oranje winkels. En als dansliefhebber steekt dat toch een beetje, ook al vind ik dat van de winkels begrijpelijk; dansen verkoopt niet, en voetbal verkoopt wel.


Alles met elkaar doet het me wel afvragen wat er nu zo interessant en spannend is aan voetbal.


En ondanks alles hoop ik stiekem toch een beetje dat het Nederlands Elftal het gebeuren in Zuid-Afrika wint. Ik ben patriottisch genoeg om dát toch wel leuk te vinden.


Maar ik ga geen pletter-pet dragen!




Ciao,
Ingrid.

maandag 10 mei 2010

13g?

Sommige mensen zijn erg bijgelovig.
Ze lopen niet onder een trap door, gruwen van zwarte katten, blijven op vrijdag de dertiende veilig thuis en willen in een hotel beslist niet op een dertiende verdieping of in een kamer dertien slapen. Ik heb me laten vertellen dat vooral aan de andere kant van de Atlantische Oceaan dat aantal bijgelovige mensen best wel groot schijnt te zijn - hoewel ik dat niet uit de eerste hand weet. Vooral dertien schijnt niet zo'n prettig getal te zijn.


De mythe van vrijdag de dertiende is al oud, volgens een documentaire op Discovery (of National Geograpic, dat weet ik niet meer) zou die ontstaan zijn in de middeleeuwen. In die periode had je de Tempeliers, die op een gegeven moment best wel erg rijk en machtig waren. Toen dat de paus niet meer zinde, liet hij orders uitgaan naar alle uithoeken van de christelijke wereld, die op een vrijdag de dertiende uitgevoerd moesten worden. De orders in kwestie bleken het vernietigen van de tempeliers te behelzen, ze werden aangeklaagd voor afgoderij of ketterij of hoe het heet, ze zouden niet God aanbidden maar iemand die Baphomet heette. En sindsdien is vrijdag de dertiende een ongeluksdag en dertien een ongeluksgetal, aldus die documentaire.


Nu werk ik al jaren met Oracle-technologie, mijn werk bestaat uit programmeren in onder andere PL/SQL en dat is op een oracle-database. Inmiddels is Oracle toe aan release 11g van zijn database, dus nog 1 grote release - 12g - en dan komt de dertien in zicht. De gevreesde ongeluksdertien, waar rechtgeaarde techneuten als wij natuurlijk niet in geloven.


En nu vraag ik me af: zou Oracle een 13g uitbrengen, of zouden ze die overslaan en direct doorstomen naar 14g, gewoon voor het geval dàt?


We zullen het zien!

maandag 26 april 2010

Telefoongewoontes

Af en toe vallen mij vreemde dingen op. Althans, ik vermoed dat ze vreemd zijn, want als ik over zulke dingen begin tegen anderen krijg ik steevast de opmerking: "Hè? Let jij op zùlke dingen?". In ieder geval spelfouten zijn daar altijd bij, want op de één of andere manier ben ik altijd de enige die ze lijkt te vinden en ze erg lijkt te vinden, vooral in mijn eigen schrijfsels. En wat voor schoenen iemand draagt, dat valt mij ook gauw op. En ondanks dat iedereen schijnt te denken dat ik er op let, let ik er niet op. Niet bewust tenminste, het valt me gewoon op, staart mij ineens vanuit het niets recht in de ogen. Het valt me gewoon op, zoals een lamp in een donkere kamer opvalt. Je ziet het gewoon, kunt er ook niet omheen kijken als je het eenmaal gezien hebt.


Zo viel mij laatst iets op waar ik nog niet eerder bij stilgestaan heb. Je hebt namelijk verschillende manieren om je te concentreren op een telefoongesprek. Je concentreren op het gesprek dat je voert is belangrijk, en omdat je geen gezicht hebt om naar te kijken moet je extra energie in het gesprek steken, want je moet uit de klank van de stem de gezichtuitdrukkingen erbij bedenken. Dus concentratie is belangrijk. Nu bereiken verschillende mensen die concentratie op verschillende manieren, maar heb ik toch al een paar algemene "telefoontypes" kunnen identificeren:




  • de wandelaar


  • de uit-het-raam-kijker


  • de ogen-dicht-doener


  • de een-stil-hoekje-opzoeker


  • de zomaar-wat-op-papier-droedelaar


De wandelaar:


Dit type beller drentelt heen en weer tijdens het bellen. Dit type viel mij op doordat één van mijn collega's van verderop in de kantoortuin dit doet, en op een gegeven moment de gewoonte aannam om naar ons hoekje van de tuin te komen lopen en daar al bellend heen en weer te blijven lopen. Toen één van mijn jongens de collega in kwestie met zachte dwang naar de koffieautomaat begeleidde, besloot ik om eens op dat gedrag te letten. Al gauw kwam ik er achter dat er meer mensen in mijn omgeving zijn die wat heen en weer drentelen tijdens hun telefoongesprek. De wandelaar had ik geïdentificeerd!


De uit-het-raam-kijker:


Dit is een vrij ongebruikelijk type. Tot dusver heb ik er nog maar één van weten te vinden, namelijk mijn baas. Die zit in een kantoortje met een grote ruit, en door die ruit zie ik hem precies achter zijn bureau zitten. Vaak is hij aan de telefoon, want dingen geregeld krijgen hoort bij bazen-werk. En vaak zit hij daarbij uit het raam te kijken. Ik weet niet wat voor gesprekken hij voert; ik ben er niet bij als hij aan het bellen is en weet dus ook niet of dat de makkelijjkere of de moeilijkere gesprekken zijn. Maar ik gok dat dat uit het raam kijken gebeurt bij gesprekken waar meer aandacht voor nodig is.


De ogen-dicht-doener:


Hier hoor ik zelf bij. Het is moeilijk te zien want dit telefoontype blijft gewoon in de stoel zitten, doet enkel de ogen dicht en valt dus helemaal niet op. Ik doe dat vooral bij de moeilijkere gesprekken, om me te kunnen concentreren op het gesprek en mijn gesprekspartner. De al dan niet aanwezige emotie in de stem te kunnen horen ook. Ik heb buiten mezelf nog nooit een ander ontdekt, heb dus ook geen idee hoeveel mensen verder in deze groep horen, en ik weet dan ook alleen dat ze bestaan omdat ik er zelf één ben.


De een-stil-hoekje-opzoeker:


Deze is redelijk makkelijk te spotten, in ieder geval in ons gebouw aan de Europaweg als je een dagje over hebt. Op de begane grond hebben we daar een drietal hele grote stoelen staan, met grote "flappen" op hoofdhoogte. Iedereen noemt ze oorstoelen. En regelmatig zie je daar mensen in zitten, soms omdat ze simpelweg rust nodig hebben om na te denken, maar vaak ook houden ze een mobiele telefoon tegen het oor en hebben ze dat rustige hoekje opgezocht om ongestoord te kunnen bellen.


De zomaar-wat-op-papier-droedelaar:


Dit type heeft bij voorkeur papier en pen bij de hand tijdens het bellen. Tijdens het gesprek zitten ze dan gedachtenloos zomaar wat op het papier te knoeien. Soms abstracte vormen, soms geometrische vormen, maar er zijn ook mensen die kleine tekeningetjes maken. Tijdens een vergadering ofzo doen ze dat ook vaak, omdat dit gedrag droedelen schijnt te heten heb ik dit telefoontype maar de droedelaar genoemd. Elke droedelaar schijnt overigens een vast vormpje te hebben dat hij of zij graag droedelt, en er zijn mensen die roepen dat dat vormpje weer iets zegt over je gedrag. Dat het uitmaakt of je vierkantjes of rondjes krabbelt ofzoiets.




Bovenstaand lijstje doornemend stel ik me zo voor dat iemand die zo een lijst voor de komst van de mobiele telefoon gemaakt zou hebben, een heel andere lijst gekregen zou hebben. Een wandelaar bijvoorbeeld, zou beperkt worden door de lengte van de draad, en dus thuis al gauw een hele lange draad tussen telefoontoestel en wandcontactdoos willen hebben. Uit-het-raam-kijkers zouden er ook wel geweest zijn en misschien achter-de-geranium-zitters geheten hebben, droedelaars zouden er ook zijn, maar een-stil-hoekje-opzoekers denk ik niet. Daar zou de draad immers niet lang genoeg voor zijn.


Aan de andere kant zou je toen telefoondraad-in-en-uit-de-knoop-makers gehad hebben, met andere woorden mensen die steeds met de telefoondraad zitten te spelen tijdens het gesprek. Daar was ik één van toen je nog telefoondraden had.


Wat is jullie manier om je te concentreren op een telefoongesprek?




Ciao,


Ingrid.


maandag 12 april 2010

Hoe komt dat nou?



Sinds afgelopen zaterdag heb ik last van mijn rug. Wat het precies is weet ik niet. Nog niet, want morgen mag ik naar de dokter en die gaat er dan naar kijken en mij vertellen wat ik wel en niet mag en wat er aan de hand is en zulke dingen meer. En, zoals dat soort dingen dan gaan, mensen vragen vol bezorgdheid: "hoe kom je daar nou aan?".

Eigenlijk wil ik dan het liefst antwoorden met: "dat interesseert me geen fluit, het doet zeer en ik kan alleen maar voetje voor voetje lopen en het enige wat ik wil weten is hoe ik er AF kom!", en bij voorkeur wil ik dat alles dan zeggen op een uitermate chagrijnige, luide, geïrriteerde en ruziezoekerige toon. Maar dat kan natuurlijk niet, mensen zijn bezorgd om mij en het is niet zo netjes om dan mijn door pijn nogal slecht geworden humeur op hen af te reageren. Als ik dat toch doe, vinden ze me vast niet zo aardig meer als daarvoor, en ik wil wel graag dat mensen mij aardig vinden. Dus die geïrriteerde ruziezoekerige opmerking laat ik maar achterwege, en ik vertel braaf dat ik niet weet hoe het komt, dat ik er zaterdag mee wakker werd en dat ik hoop dat ik er snel weer vanaf ben.

Maar het zet me wel aan het denken.

Want waarom vraag je dat eigenlijk?
Ik heb het mezelf ook wel horen vragen, als een ander wat had. Dan hoorde ik mezelf er ook uitflappen: "gossie, hoe kom je dáár nou weer aan". Uitgaande van de goede wil van de vrager, wil de vrager de probleemhebber helpen om het probleem (in dit geval dus rugpijn) op te lossen. Maar om te weten wat de oplossing is, moet je eerst weten wat er aan de hand is. En om dat te weten te komen, is vragen naar hoe het gekomen is toch wel een hele logische vraag. Eigenlijk.

Maar wij leken weten natuurlijk niet zoveel van het menselijk lichaam. Een dokter, of een fysiotherapeut of zo iemand weten veel meer, dus waarom vraag ik in zo'n geval dan niet of iemand er al mee naar de dokter is geweest, en wat die dan wel zei? Zo een vraag is vaak wel mijn tweede, maar niet mijn eerste vraag. En kennelijk is dat ook bij anderen zo, want iedereen vraagt vandaag aan mij waarom ik zo moeilijk en voorzichtig loop, en wat er nou loos is, en hoe dat nou gekomen is. De belangstelling die er uit spreekt vind ik fijn, maar de vragen zetten me aan het denken.

Willen we nu inderdaad allemaal eerst zelf ons probleem oplossen alvorens er iemand bij te halen die er verstand van heeft? En hoe gaat dat dan bij een overzichtelijker probleem, zoals bijvoorbeeld een probleem met de waterleiding?

Ciao,
Ingrid.

maandag 29 maart 2010

Tussenschuifdeuren

Afgelopen weekend ben ik naar de grote-maten-beurs in Eindhoven geweest. Daar zouden allemaal stands zijn van winkels die specifiek zijn voor kledingmaat 46 en groter. En dat leek me wel wat. Als vervoermiddel om in Eindhoven te komen, koos ik voor de trein. Zaterdag zou ik heen gaan en dan - na een overnachting in een supergrote hotelkamer van het Holiday Inn aldaar - ging ik zondag weer terug. Lekker met de trein en uiteraard met mijn ASL-boek mee zodat ik in de trein lekker rustig zou kunnen studeren. Voor de zekerheid had ik de batterij van mijn smartphone helemaal opgeladen, zodat ik de hele rit kon genieten van de muziek van André Rieu en zijn Johann Strauss orkest. Ik had er superzin in, maar wist nog niet dat mijn aandacht getrokken zou worden door iets anders, iets ogenschijnlijk volkomen onbelangrijks...


Lezers die wel eens in een trein komen, weten dat die - in Nederland tenminste - onderverdeeld zijn in coupé's die gescheiden worden door schuifdeuren. Omroepende conducteurs noemen die dingen altijd tussenschuifdeuren als ze op Utrecht Centraal of op Zwolle omroepen dat de trein gesplitst wordt en dat je op de nummers boven de tussenschuifdeuren moet letten. Nu gaan in Koplopers en modernere treinen die deuren redelijk automatisch open en dicht: je hoeft alleen de hendel maar een duwtje te geven in de richting waar de deur heen moet. Erg handig als je in de deuropening staat en de deur schuift plotseling dicht: een klein duwtje voorkomt dat je klem komt te zitten. Alleen heeft niet iedereen dat door, en omdat ik afgelopen weekend tot drie keer toe bij een tussenschuifdeur kwam te zitten had ik alle kans om te observeren hoe mensen met zo'n onverwachte hindernis als een dichtschuivende deur omgaan.


Ik ben er achtergekomen dat je, als het om tussenschuifdeuren gaat, de mensheid ruwweg in drie hokjes kunt stoppen:






  • mensen die snappen hoe een tussenschuifdeur werkt en die gauw de hendel een duwtje geven als de deur plotseling dichtschuift terwijl zij in de deuropening staan




  • mensen die in paniek raken als de deur plotseling dichtschuift terwijl zij in de opening staan; de persoon stuift achteruit en kijkt leeg en hulpzoekend om zich heen.




  • mensen die het niet pikken dat die deur zomaar het gore lef heeft om dicht te schuiven terwijl zij in de opening staan en die met grof geweld zichzelf door de opening heen wringen terwijl de deur - zoals hij geprogrammeerd is - zijn best doet om netjes en niet-mensen-plettend dicht te schuiven.


Stel dat dit kleine totaal niet representatieve onderzoekje met de NS-tussenschuifdeuren zomaar eens representatief zou zijn voor hoe mensen met obstakels in het algemeen omgaan? Dan zou je de bovenstaande onderverdeling dus kunnen veralgemeniseren naar de ondergenoemde "hokjes":






  • mensen die het obstakel bestuderen, er over nadenken, het analyseren en vervolgens rationeel besluiten wat de beste handelwijze lijkt




  • mensen die in paniek raken, op tilt slaan en aan de hand genomen moeten worden




  • mensen die agressief worden en het obstakel koste wat kost uit de weg proberen te ruimen, desnoods met bruut geweld.


In wat voor hokje zou ik passen? En zouden er nog meer hokjes zijn, die je bij tussenschuifdeuren niet tegenkomt?


Toch maar eens gaan opletten!


Ciao,


Ingrid.