Een Rubense Schone geeft haar meningen, gedachten en gevoelens over alles wat het leven haar brengt. De proza wordt hier gepubliceerd, gedichten worden verzameld op ingridsgedichten.blogspot.com.
Ik publiceer onregelmatig, dus abonneren op rss of e-mail is handig.
zaterdag 1 november 2014
Op een bankje
vrijdag 24 oktober 2014
Schaarse stilte
Tegenwoordig krijg je overal ongevraagd muziek om je oren geslagen: in de kledingwinkel, tijdens de koffie in het kleine restaurant, in de lift, in de wachtkamer van de tandarts en in de wachtrij bij de telefonische helpdesk. In het restaurant een poosje geleden had de Cubaanse muziek best wel een stuk zachter gekund. In het winkelcentrum mogen ze van mij de muziek wel uit laten.
Niks rustig lopen, zitten, zijn. Muziek is overal. Muziek is gratis, lijkt wel, want het wordt immers overal ongevraagd aan je opgedrongen. Ergens weet je wel dat dat niet zo is natuurlijk en dat er muzikanten hard voor moeten werken, maar als je ergens binnenstapt en weer eens met niet-zo-fijne te hard staande (en dan ben ik nog wel slechthorend) muziek te maken krijgt, is dat soms wel irritant.
Eigenlijk is het nergens meer echt stil. Behalve thuis dan, en daar heb ik maar zelden muziek aan. Een teevee heb ik niet eens meer. Zalige stilte is dat dan. Luisteren naar het gedrup van de regen buiten, wind die ruist - of stormt - in de bomen, en in de lente in de ochtend naar zingende vogels. Of gewoon luisteren naar het niks.
Stilte lijkt bijna wel een bedreigde diersoort.
Maar dat is natuurlijk niet altijd zo geweest. Ooit waren er geen radio's of teevees of mp3spelers-met-duizend-liedjes-in-je-binnenzak. Dan was het stil thuis, als je alleen woonde (áls je alleen woonde, dat gebeurde natuurlijk niet zoveel vroeger). Als je dan muziek wou horen moest je een heel eind lopen of fietsen (want auto was duur en luxe) naar een gelegenheid waar ze een jukebox hadden, en waar je dan naar Bill Haley of zo kon luisteren. "Muziek luisteren" was een activiteit op zich.
En nog vroegerder, voor de jukebox en voor de fonograaf kon je alleen naar muziek luisteren als je het zelf maakte. Ze zeggen dat wij met ons allen toen ook veel meer zongen, bij het werk en 's avonds met het gezin en zo meer. En ik kan me heel goed voorstellen dat bijvoorbeeld een groep matrozen aan boord van een schip zeilen hijst terwijl ze samen een shantylied zingen. Dan blijf je ook lekker in het hijsritme met elkaar.
Soms zou ik best wel eens in een tijdmachine willen stappen om te zien of dat echt zo was. En wat ze dan zongen. Maar ja, klanken fossileren niet. Dus dat kan niet.
Tenzij een echte Willy Wortel een vasofoon uitvindt, natuurlijk.
In de tussentijd geniet ik graag van de stilte.
Van die o zo schaarse en o zo zalige stilte.
maandag 13 oktober 2014
Ansichtkaarten
En vandeweek heb ik een kaart gekregen uit Wit-Rusland, Belarus heet het nu kennelijk (want dat staat op de kaart) met een plaatje van een kerstkaartachtig huis met een typisch getekend ierse-leprechaun-achtig oud mannetje er op. Ze schreef dat dat een Damavik of Domovoj was en dat dat een huisgeest was. Ik moest meteen aan het verhaal van de schoenmaker en de kabouters denken. Ik had nooit gehoord van Damavik en heb met interesse het stukje op Wikipedia gelezen dat Google uiteindelijk voor me vond. donderdag 25 september 2014
Naar 't Spoorwegmuseum
Al vaker had ik er over nagedacht maar nog nooit was ik er echt geweest: het spoorwegmuseum in Utrecht. Dus toen ik dagkaarten kocht in een blokkeraanbieding, moest ik daar ineens weer aan denken. Misschien moest ik er toch maar eens heen. Ik had vakantie nu, immers.
Er bleek een trein heen te gaan vanaf Utrecht Centraal. Een van de weinige musea die een station op zich is, denk ik. De trein erheen was een ouwe gele met een hondekop aan de voorkant. De airconditioning bestond uit ramen die je open kon zetten en de motor gromde onder mijn voeten. Een goed begin, zo'n echte oude trein. Ook al stond er gewoon een chippaal bij het museum waar je uit kon checken.
Aangekomen wou ik eerst koffie (want dat had ik vanaf Groningen niet meer gehad), dan kon ik ook meteen rustig even de plattegrond bekijken die ze me bij de ingang gegeven hadden. Ik zag al snel dat ze het museum ingedeeld hadden in werelden, genummerd van een tot en met vijf. Ik begon dus braaf bij hal of wereld een.
Bij de deur stond een mevrouw die me een kastje gaf en een koptelefoon. Het kastje kon ik harder zetten zodat zelfs ik het goed verstaan kon. Ik stapte de deur door een hokje in die er uitzag als een hele oude mijnlift. De deur ging dicht en ik greep me stevig vast aan een handvat. Die handvaten zaten er vast niet voor niks, dacht ik net voordat de bodem begon te trillen en schudden.
Hoewel de "lift" op zijn plek bleef had je toch best wel het idee dat je ergens heen ging. Volgens de stem van het kastje gingen we terug in de tijd en zouden we uitkomen in de negentiende eeuw. Uiteindelijk hield het schudden op en ging er een deur open. Ik stapte erdoor en stond in een mijngang. Met rails op de grond en een mijnkarretje volgeladen met kolen.
Terwijl de stem in het kastje vertelde over kolen en kanaries bewonderde ik alles om me heen. Helemaal toen we even verderop uit de mijngang in een mijnwerkersdorp terecht kwamen. Het was echt een attractie, zoals in de Efteling. Mooi vormgegeven, net echte stenen muren en alles en details die klopten: een bureaukalender met de juiste datum, een nepmuis die mechanisch over de balken trippelt. Alles met elkaar was ik alweer toe aan koffie toen ik klaar was met wereld een bewonderen.
Deel 2, of wereld 2, gaat over de Oriënt Express en zo. Zeg maar begin twintigste eeuw, toen je per trein door heel Europa kon reizen. Er staat een zitplaatsrijtuig en een restauratiewagen en je verwacht bijna Hercule Poirot er uit te zien stappen terwijl hij met zijn gedachten bij een moordzaak is die hij onder handen heeft. Erg mooi, je krijgt zoveel zin om eens in die periode rond te kijken. Die periode heeft me altijd getrokken, en dan vooral een trein naar het toen nog magische en mystieke Oosten. En ook heb ik zin om Agatha Christie's moord in de Oriënt express te herlezen.
Ergens anders stonden rijtuigen van de Nederlandse tweede (char à banc) en derde klas (de waggon). Het oogde weinig, een open rijtuig met bankjes. Geen ramen, geen kachel. Een frisse, en in de winter zelfs koude bedoening. Gelukkig hebben we nu 's winters wel een kachel in de trein. Ik moest aan Eline Vere denken bij het zien van de waggon, en hoe ze in het boek aan mevrouw van Raat uitlegt hoe simpel reizen is. Ze zei dat men eens wat vroeg en informeerde en dat "men in zijn waggon ging zitten". Zou zij echt derde klas gereisd hebben? Dat verbaasde me wel; in het verhaal beweegt Eline zich in nogal welgestelde milieus en dan verwacht je eigenlijk stiekem dat ze eerste klas reist. Maar kennelijk had Louis Couperus het toch anders met haar voor want de door Eline genoemde waggon blijkt toch echt derde klas te zijn.
Er waren verder ook nog een klein achtbaantje (engheidsniveau "kinder" dus precies goed voor mij) en een kleinschalige theatervoorstelling van één acteur, drie decors en twintig minuten verhaal. En treinen! Veel treinen, stoomlocomotieven en rijtuigen van vroeger. Een oude postwagon met de postzakken en sorteervakjes er nog in. Daar werd de post gesorteerd terwijl de trein onderweg was. Toen dat nog met de hand ging. Veel te zien, veel te kijken en veel jezelf voor te stellen hoe dat vroeger geweest moet zijn.
Voor een treintjesliefhebber als ik is het spoorwegmuseum een prima bestemming!
donderdag 18 september 2014
Vakantie
woensdag 20 augustus 2014
Diogenes en hebben
Misschien is bezit ook wel een soort van vergif. Vergif voor je hoofd, voor je denken.
Sommige dingen zijn natuurlijk noodzakelijk, zoals bijvoorbeeld een lekkere dikke warme winterjas bij tien graden celcius onder nul. Of een boterham elke ochtend. Want je wilt immers niet doodvriezen, en je wilt ook regelmatig wat te eten hebben, want overleven.
Maar daar voorbij? Hoeveel spullen hebben we met elkaar nou eigenlijk echt nódig?
Het is makkelijk om te denken dat je iets nodig hebt. Dat wordt je ook aangepraat door reclames overal om je heen, het idee dat je die nieuwe iWatch of iTime of Samsuing Gear echt nodig hebt. Dat je die nieuwe deodorant, parfum, teevee, autoradio, wasmiddel en noem maar op echt nodig hebt. Reclamemakers willen je dat natuurlijk ook graag aanpraten, want anders verkopen hun bedrijven niet genoeg. En er moeten spullen verkocht worden, want geld moet rollen. We hebben met de financiële crisis allemaal kunnen ervaren wat er gebeurt als 't niet meer rolt maar stil ligt.
Maar toch.
Wat heb je nou eigenlijk echt nódig? Ik vraag me dat dagelijks af. Wat heb ik nou echt nodig? Wat kan ik eigenlijk beter weggooien? Waarom wil ik dat nieuwe dingsigheidje nou eigenlijk écht hebben? Ja, koffie 's ochtends, bijvoorbeeld. Heb ik dat echt nodig? En als ik vind dat ik koffie nodig heb 's ochtends, ga ik dan lekker gemakkelijk een koffiemachineding aanzetten of ouderwets handmatig opschenken? Het gemak wint het dan al gauw, ook bij mij.
Maar bezit kan dan leuk en gemakkelijk en soms noodzakelijk zijn, het is ook gedoe.
Je auto die door de APK moet, een koffiemachine die ineens stuk is en waarvan je vindt dat je een nieuwe nodig hebt omdat je jezelf niet zonder koffie 's ochtends kunt voorstellen. Een koophuis hebben en lekkerij hebben in de douche, of een rooklucht in de meterkast. Een verse scheur in de muur na de laatste aardbeving. Allemaal gedoe.
Ik blijf het me afvragen: heb ik dat écht nódig? En zo ja, waarom vind ik dan dat ik dat nodig heb?





