Posts tonen met het label fictie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label fictie. Alle posts tonen

zondag 10 februari 2013

121876 op zilveren vleugels


Een vervolgverhaal over een maatschappij waar de mensen geen namen maar nummers hebben. 
deel 1 deel 2 deel 3 - deel 4 deel 5 - deel 6 - deel 7 



deel 8: op zilveren vleugels

121876 zat op het trapje van de veranda met brood in zijn schoot en kwetterende vogels om zich heen. Vandaag was het zover, maar voordat hij zich in zijn zakenman-vermomming hees, wou hij eerst nog even rustig de vogeltjes voeren. Om hem heen vochten mussen en merels vrolijk kwetterend om het brood dat hij rond strooide. Zelfs een vogel was niet helemaal vrij, bedacht hij, het moest immers zorgen dat het te eten kreeg en zo. 

“Ben je al omgekleed?”, klonk een stem van binnen. 121876 schrok op. “Nee, nog niet, ik zit bij de vogels”, riep hij terug. Iemand grinnikte. “Natuurlijk zit ‘ie weer bij de vogels! Hij is nog erger dan Dirk de Vogelaar.” 121876 stond op, voerde de laatste restjes aan de vogels en liep vervolgens het trapje op naar binnen en liep door naar zijn slaapkamer. Het pak dat hij zou dragen, hing al klaar en hij trok het aan. Eigenlijk zat het best goed, bedacht hij. Maatwerk had toch zo zijn voordelen. Hij bekeek zichzelf nog één laatste keer in de spiegel. Hij was er klaar voor. Hij moest wel.

“En? Zit het goed zo?”, vroeg hij in de huiskamer aan de vrouw die hem naar het vliegveld zou brengen. Ze trok zijn stropdas recht en gaf hem een kus. “Denk eraan dat de mensen op het vliegveld denken dat we getrouwd zijn!”, grijnsde ze. “Vergeet niet dat je mee moet spelen en dat alles van vandaag afhangt.” Ze pakte haar handtasje, trok haar veel te korte rokje recht en gleed soepel achter het stuur van een wachtende luxe uitziende mercedes. Hij volgde haar en plofte neer op de passagiersstoel. De auto zoefde weg terwijl hij checkte of zijn valse paspoort samen met het vliegtuigticket in zijn binnenzak zat. Hij vroeg zich nog steeds af waar dat vandaan kwam, maar ze zouden hem dat nooit vertellen, wist hij inmiddels. “Alleen willen weten wat je echt moet weten”, was het devies. Wat je niet wist, kon je ook niet per ongeluk verraden aan een gedachtenstraler.

Inchecken was zo gepiept, ontdekte hij op het vliegveld. Beveiliging zou langer duren; er stond een hele lange rij voor de enige bodyscanner die in bedrijf was. Hij ging in de lange rij voor de scan staan en hield zijn gedachten zorgvuldig bij de producten die hij zogenaamd zou gaan verkopen en die hij de afgelopen week allemaal uit het hoofd geleerd had. De beveiliging zou gedachtenstralers hebben en de bodyscanner ook, dus moest hij zijn gedachten onder controle hebben. Naast hem babbelde zijn “vrouw” over ditjes en datjes. Langzaam kwam de scanner dichterbij en toen was hij ineens aan de beurt.
“Nou, ik mag niet verder mee”, pruilde zijn vrouw. Ze sloeg haar armen om hem heen en ze namen afscheid met een innige kus. “Tot volgende week, ik zal je missen hoor!”, zei ze nog voordat ze zich omdraaide en weg wankelde op haar onmogelijk hoge hakken. Hij liep door de scan en hoorde de langgerekte piep van een gedachtenstraler. “Alles goed, doorlopen!”, zei de barse stem van de bewaker afgeleid terwijl hij de wiebelende hoge hakken en het ultra-korte rokje reikhalzend nakeek. 
Gauw liep 121876 door, weg van die scan. Daar was hij doorheen, de eerste hindernis was genomen. Hij kocht een kopje koffie bij een koffiebar en sjokte toen naar de gate vanwaar zijn vliegtuig zou vertrekken, in gedachten bezig met het samenstellen van zijn zakenmannen-verkooppraatje. Om zich heen kijkend zag hij dat het vliegveld vergeven was van de monitorders en de gedachtenstralers, hij mocht nu beslist niet uit zijn rol vallen! 

Uiteindelijk ging de gate open en werden de passagiers geroepen. Hij mocht eerst met zijn eerste-klas-ticket. “Ik ben een succesvol zakenman, natuurlijk mag ik eerst”, zei hij in gedachten tegen zichzelf. Hij hoorde de bekende langgerekte piep en wachtte rustig  af tot de monitorder zijn gedachtenstraler gecontroleerd had. “Goede vlucht meneer!”, wenste de steward hem toe toen hij door de monitorder doorgewuifd werd. Met knikkende knieën liep hij het vliegtuig in en nam plaats. Hij wist dat gedachtenstralers in het vliegtuig verboden waren, maar durfde zijn gedachten nog niet ongecontroleerd te laten zwerven. Even later ging de deur van het vliegtuig dicht en kwam het toestel met een schok in beweging. Ogenschijnlijk verveeld maar in werkelijkheid ingespannen en aandachtig luisterde hij naar de stewardess die uitlegde wat ze in noodgevallen moesten doen terwijl het vliegtuig naar de startbaan taxiede. Hij werd steeds nerveuzer en moest steeds meer zijn best doen om blasé te lijken. De zakenman die hij speelde had vast al heel vaak gevlogen, die zou beslist niet nerveus zijn. 
De stewardess ging zitten en deed haar veiligheidsriem vast. Even later schrok hij op toen  de motoren luid begonnen te brullen, het vliegtuig kwam met een schok in beweging en ging sneller en sneller, en ineens zag hij uit het raampje dat de grond wegviel. Ze waren in de lucht! Hij voelde hoe zijn maag samen met zijn darmen vrolijk een rondje door zijn buik walste en sloot zijn ogen om te doen alsof hij sliep. Hij hoefde het spel nog maar even vol te houden. Hij was er bijna.

Al een hele poos vlogen ze boven water. Hij had gedaan alsof hij sliep en zelfs een poosje echt geslapen, zodat de stewards hem met rust zouden laten. Toen hij wakker was geworden, had hij door zijn wimpers naar buiten zitten kijken. Nu kwam in de verte een kuststrook dichterbij, zo uit de lucht was goed te zien dat het een eiland was. Het vliegtuig was al een poosje geleden begonnen te dalen, het eiland was hun eindbestemming. “Aloha”, stond er op een groot gebouw, met “Honolulu International Airport” er onder. Steeds lager gingen ze, en ineens landden ze en direct daarna voelde hij hoe het vliegtuig ineens sterk afremde. Het leek wel alsof de piloot aan de noodrem getrokken had. Al kon dat natuurlijk niet, want een vliegtuig had geen noodrem. Toen het toestel uiteindelijk stilstond en de passagiers er uit mochten, wist hij niet hoe snel hij zijn koffertje moest pakken. Snel door de bagage-reclaim en de douane, en daar stond hij dan buiten! Ietwat verlaten en hulpzoekerig keek hij om zich heen, hij had geen flauw idee waar hij nu heen moest. Voordat hij rare dingen kon doen, riep een stem vrolijk “Aloha”, en kreeg hij een bloemenkrans om zijn nek gehangen. Een veel te blond bloemenmeisje sloeg haar armen om zijn nek en begroette hem onfatsoenlijk uitbundig, terwijl ze in zijn oor fluisterde: “U bent nummer 121876, genaamd Ruben van Oostergast, en ik ben gestuurd om u op te vangen.”

Later die dag zat hij op het trapje van de veranda van zijn huisje te kijken naar de ondergaande zon. Zijn eigen, nieuwe huisje. Hij had een huisje, en dan nog wel een strandhuisje! Hij kon het nog maar amper beseffen: het was gelukt! Hier zat hij dan, ver weg van monitorders en gedachtenstralers, uit te kijken over het strand voor zijn eigen kleine huisje, nadenkend over wat er allemaal gebeurd was en plannen makend voor de bar en de vogelopvang die hij zou beginnen. En dat dacht hij allemaal zomaar buiten, op het trapje van de veranda. Geen loodgordijnen die dicht moesten, geen schielijk om je heen kijken omdat een gedachtenstraler je misschien kon betrappen. Hij voelde zichzelf net een vogel in de lucht.

Hij stond op en liep naar de vloedlijn. De branding ruiste hem tegemoet.

Hij spreidde zijn armen en liet de zachte zeewind langs zijn lichaam strijken, zo voelde het bijna net alsof hij een vogel was. Keer op keer schreeuwde hij zo hard hij kon tegen de golven: “Ik Ben Ruben! Ik Heb Een Naam!” 

121876 ontsnapt


Een vervolgverhaal over een maatschappij waar de mensen geen namen maar nummers hebben. 
deel 1 - deel 2 - deel 3 - deel 4 - deel 5 - deel 6 - deel 8



deel 7: ontsnapping!

Een hele tijd hoorde hij vervolgens alleen maar de vrachtwagenmotor. Na wat een eeuwigheid leek, hield het geluid op. 121876 spitste zijn oren en hoorde de wind in de bomen ruisen. “Wind in de bomen?”, dacht hij verbaasd. “Waar ben ik??”. 

“Rustig maar”, klonk ineens een vrouwelijke stem vlakbij zijn oor. Hij voelde hoe zijn handboeien losgemaakt werden en ineens knipperde hij tegen het felle licht van de volle maan toen zijn masker verwijderd werd. Een gezicht zweefde vaag voor zijn ogen. Het keek vriendelijk. Zijn blik werd scherper en hij zag een vrouw voor hem staan. “Alles goed?”, vroeg ze bezorgd. “Wat kan jou dat schelen?”, vroeg 121876 agressief, “jij bent alleen maar een product van de gedachtenkap en dit is allemaal niet echt!”
“We zijn wel echt, en deze situatie, jouw ontsnapping, is ook echt”, bromde een lagere stem van buiten. “Maar ik kan me voorstellen dat je twijfelt, na zo lang onder de gedachtenkap gezeten te hebben.” Hij stond op en keek om zich heen, zo te zien bevond hij zich in de laadruimte van een vrachtwagen. De deur stond open, hij keek naar buiten en zag twee mensen staan, nog in de monitorderskleren waarin ze hem uit de gevangenis bevrijd hadden. Hij wierp een blik omlaag en zag twee treetjes, de twee treetjes waaraan hij zijn scheenbeen gestoten had toen hij instapte. “Kom Ruben van Oostergast”, zei de lage stem, “kom naar buiten en kijk om je heen. Je bent vrij.”
“Hé wacht eens even, hoe weet je dat?”, vroeg 121876 verbaasd. “Hoe ik heet, weet niemand, alleen….”
“Gatsakke, jong, je hebt het me zelf verteld!”. 
De rechtermonitorder trok zijn kap van het hoofd en daar stond Jan. Jan van de Geheime Kroeg met zijn grijze haar maar zonder wandelstok en regenjas. “We doen meer dan alleen een kroegje runnen, jochie!”. 121876 begon te lachen, nu wist hij dat het echt was. Dit was nou net het enige dat de monitorders niet konden weten, en dus kon het niet uit de gedachtenkap komen en moest het wel echt waar zijn dat hij vrij was. Hij keek om zich heen naar het nachtelijke bos en hoorde in de verte het ruisen van vleugels en de melancholieke roep van een uil.

Even later zat hij achter een kop thee zijn polsen te masseren terwijl hij luisterde naar de uitleg die hem voorgeschoteld werd. Hij was bevrijd en naar een veilighuis gebracht, ver weg op de Veluwe, waar bijna geen gedachtenstralers te vinden waren en nog minder monitorders. Ze legden uit hoe ze hadden ontdekt dat hij gevangen was en waar hij zat, en hoe ze de militaire tak van De Geheime Kroeg hadden ingeschakeld om hem uit de gevangenis te bevrijden. “En nu zit je dus hier”, beëindigde de vrouw haar verhaal. 
“Je blijft hier een week terwijl we je klaarstomen voor de rol die je moet spelen om het land uit te kunnen komen.” 
“Rol? Welke rol? En waar ga ik dan heen?”. 
“De enige manier om in het buitenland te komen, is vliegen. Je moet dan door een serie zware controles heen, dus je kunt niet als jezelf gaan, en je moet dus uiteraard ook je rol goed kennen. We kunnen het ons niet veroorloven dat je nog eens door de mand valt! En je moet weg, want als je hier blijft, val je zeker nog eens door de mand. Herinner je je nog wat je dacht vlak voor die razzia waarbij ze je opgepakt hebben?”

Gedurende de week werd 121876 overstelpt met oefeningen om zich te leren gedragen en te leren spreken als een rijk en succesvol zakenman. Hij moest van alles uit zijn hoofd leren over zijn fictieve bedrijf en over de producten die hij maakte en verkocht. Details werden hem uit de doeken gedaan: hij zou als zakenman op het vliegtuig stappen naar een eiland ver weg waar hij nog nooit van gehoord had, daar zou hij opgevangen worden en als vrij mens leven. “Als wederdienst verlangen we van je dat je je best doet om daar zo snel mogelijk een nieuw leven op te bouwen, zodat je anderen zoals jij op kunt vangen als die op hun beurt aan het regime ontsnappen”, zei de vrouw streng. “En denk er om dat je je rol perfect speelt!”. Ze zwaaide haar vinger voor zijn neus heen-en-weer. 

“Jij gaat ontsnappen jong”, zei Jan vriendelijk. “Stel je dat eens voor, dat je echt vrij zult zijn om te denken wat je wilt...”

woensdag 6 februari 2013

121876 in de heropvoeding



Een vervolgverhaal over een maatschappij waar de mensen geen namen, maar nummers hebben.
deel 1 - deel 2 - deel 3 - deel 4 - deel 5  - deel 7 - deel 8

deel 6: In de heropvoeding



Een twinkelend deuntje klonk op schuin boven hem; hij keek op en zag het musje vrolijk kwetterend op de vensterbank zitten. Het diertje had zich - zoals elke dag - door de tralies heen gewurmd en kwam nu zijn dagelijkse kruimeltje brood halen. 
121876 koesterde dat musje. Elke dag bewaarde hij een beetje van het grauwe kampbrood voor het diertje. Elke dag kwam het diertje terug, dan zat het eerst - net als nu - een poosje te kwetteren en te kwinkelen op de rand van de grauwe stenen vensterbank, om daarna op de vloer neer te strijken. 121876 voerde hem dan de kruimeltjes brood die hij zorgvuldig bewaard had. Zachtjes fluisterde hij dan lieve woordjes tegen het musje, als was het diertje een geliefde zoon. “Wat is een musje toch een prachtig dier!”, dacht hij dan.

Toen het brood van die dag op was, hupte het musje weer op de vensterbank, zat nog even naar 121876 te kijken, wurmde zich door de tralies heen en fladderde even later in de buitenlucht. 121876 sprong op en keek door de tralies naar het kleine vierkantje lucht dat hij kon zien en dat nu blauw was. Kennelijk was het mooi weer, en hij stelde zich voor hoe de zon zou schijnen en hoe hij in de vogelhut verscholen zou zitten, toen de deur van zijn cel met een klap opengesmeten werd. Een tweetal struise monitorders stond in de deuropening, hun verdwijners op zijn borst gericht. “Meekomen!”, blafte de grootste. Een huivering trok over zijn ruggegraat toen hij gedwee opstond en de eerste monitorder volgde terwijl de tweede achter hem aan kwam. 

Ze brachten hem naar een ruime, lichte, ovale ruimte met een stoel in het midden. Ook in de jaren voordat hij gevangen genomen werd, had 121876 al geleerd deze stoel te vrezen, de gruwelverhalen die de ronde deden over deze stoel waren talrijk. Met een wee en angstig gevoel in zijn maag ging hij op de stoel zitten, waarna direct de arm- en beenkluisters werden vastgezet. Nu kon hij geen kant meer op. Met een blik vol intense haat staarde hij naar de verdwijner waarmee hij bedreigd werd, terwijl de andere monitorder de gedachtenkap op zijn hoofd vastmaakte. “Praten of gemarteld worden?”, zei de monitorder tartend in zijn oor. Sinds de uitvinding van de gedachtenkap was martelen nog nooit zo effectief geweest, ze konden je willekeurig welke verhalen en pijn voortoveren door de hersenbeïnvloeding van de gedachtenkap. Vroeg of laat was het onvermijdelijk dat je aan de mensen dacht die je probeerde te beschermen; en als de monitorders op dat moment een gedachtenstraler bij de hand hadden, was het gedaan met Jan, Jetta en Dirk en hun vrienden.  

Later werd hij wakker op zijn eigen bed in zijn cel. Vaag herinnerde hij zich nog hoe de monitorders hem half bewusteloos terug naar zijn cel hadden gesleept. Hij deed een poging op te staan en merkte dat zijn hele lijf pijn deed, maar hij moest echt wat drinken hebben. Schor lachte hij; het was hem gelukt om niet aan Jan, Dirk en Jetta te denken en om niet aan de kroeg te denken en aan al die mensen die tegen de regering waren en uit protest elkaar bij de naam noemden in plaats van bij nummer. Hij pakte de waterkan, nam een slok en kromp in elkaar van de pijn toen het vocht zijn gehavende keel passeerde. 121876 had duidelijk een zware sessie achter de rug, hij moest lang en hard geschreeuwd hebben van de pijn om zo’n zere keel te krijgen. Maar na een half jaar gevangenschap was hij inmiddels wel wat gewend. Achteloos haalde hij zijn schouders op en nam nog een slok. Even keek hij omhoog naar het kleine vierkantje lucht dat hij vanuit zijn tralieraam kon zien. Het was zwart, met een enkele pinkelende ster. In de verte op de gang klonk commotie; er zou wel een nieuwe gevangene binnengebracht worden. “Arme stakker”, dacht 121876 medelijdend.

Voor de tweede maal die dag werd zijn deur opengesmeten en stonden twee monitorders in de deuropening. “Opstaan!”, werd 121876 toegeblaft. Monitorders konden ook nooit eens iets normaal zeggen. Zijn pijnlijke lijf gehoorzaamde instinctief zo snel mogelijk aan de monitorders, maar niet snel genoeg want hij werd onzacht overeind gesleurd. Hij voelde hoe zijn armen op zijn rug in kluisters gezet werden en even later verdween de wereld toen zijn hoofd onder het gevangenmasker verdween. Daas vroeg hij zich af waar dit nou allemaal goed voor was. Ach, wat kon het hem ook allemaal schelen, vroeg hij zich af. Alles wat beter dan die martelstoel, zelfs het vuurpeloton, de guillotine en de brandstapel zou hij verwelkomen. 

Hij werd de deur uit en de gang op gedirigeerd. Rechtdoor, linksaf, rechtsaf, hij was al gauw de weg kwijt, maar naar de ovale ruimte met de stoel gingen ze kennelijk niet want die weg kende hij inmiddels en die was anders. Even later stootte hij zijn scheenbeen tegen een opstapje, klunzend stapte hij twee tweetjes op en even later werd hij hardhandig op een bak neergezet. Hij hoorde een scherpe klik toen zijn handboeien ergens aan werden vastgemaakt, gevolgd door de harde dreun van een deur en het grommen van een vrachtwagenmotor. Ineens werd 121876 zijn hoofd helder en besefte hij dat hij kennelijk op transport gesteld was. 

zondag 3 februari 2013

121876 wordt betrapt



Een vervolgverhaal over een maatschappij waar de mensen geen namen, maar nummers hebben.

deel 5 - Betrapt!


Een jammerende toon klonk door de luidsprekers. 121876 schrok op van zijn werk. Lunchtijd! De pad op zijn bureau bureau piepte twee keer en straalde een kommetje pap op. Fronsend keek hij naar de kom. Hij had een hekel aan pap. “Waarom krijgen we hier ook altijd pap?”, vroeg hij zich sikkeneurig af. Nou ja, niets aan te doen, iets anders kreeg hij toch niet. Het was pap eten of honger hebben.
Gauw pakte hij de kom, zich schuldig voelend over de ongewenste hekel aan pap in zijn hoofd. Daar hadden de monitorders vast van alles over te zeggen als hij betrapt werd want je hoorde alles van Het Regime en van de Grote Leider fantastisch te vinden. De pad piepte nogmaals en straalde een koffie-rantsoen op. In ieder geval kregen ze een bakkie koffie bij de lunch. 

Terwijl hij gedachteloos de smakeloze pap at, klikte hij lukraak wat rond op censornet. Een artikel over een gebied dat Lauwersmeer heette, verscheen op zijn scherm. “Het Lauwersmeer is een belangrijk vogelgebied”, las hij. Opgefleurd en geïnteresseerd klikte hij verder, langs de lijst van vogels die er voorkwamen. Hij moest het eens met Dirk de Vogelaar hebben hierover, dacht hij, want daar wou hij wel een keertje heen. 

De afgelopen maanden was hij twee keer per week naar De Geheime Kroeg geweest. Het waren gezellige avonden geweest, hij had vaak met Dirk zitten praten. Dirk was onder nummer geboren, en wist alleen dat hij nummer 546237 was. Maar in De Kroeg noemde iedereen hem Dirk de Vogelaar, omdat hij zo graag vogels ging kijken in de weekenden. n Dirk de Vogelaar was apetrots op die naam. Hij had beloofd om 121876 een keer mee te nemen. Bij de laatste brouwdienst had hij honderduit verteld over een gebied dat Loosdrechtse Plassen moest heten, en waar hij geweest was. 
Bij de gedachte aan vogels wierp 121876 een blik naar buiten en zag vogels hoog in de lucht. 121876 hield veel van vogels, vaak dacht hij dat zij de enige wezens waren die nog Echt Vrij waren in dit land. Al moest je dat natuurlijk niet denken waar een gedachtenstraler je kon betrappen. 

Er klonk weer een jammerende toon uit de luidsprekers. 121876 zette zijn nu lege kom pap op de pad, nam een slok koffie en ging dapper weer aan het werk. Gelukkig kon hij op zijn werk denken waaraan hij maar wou, de enige gedachtenstraler was in het kantoor van de districtschef en dat was ver genoeg weg. Zo’n groot bereik hadden die dingen nou ook weer niet. Naarstig werkte hij door, want vanavond wou 121876 beslist op tijd klaar zijn met zijn werk. Geen overwerk vanavond, want hij had bardienst! Vanavond zou hij niet aan de bar zitten te kijken naar de wulpse barmeid, vanavond zou hij samen met Wulpse Jetta achter de bar staan en stiekem als een schooljongen in haar décolleté proberen te gluren terwijl zij hem leerde hoe hij een biertje moest tappen en wat een kopstootje was.
“Het is niet moeilijk hoor”, had Jetta gezegd. “Het enige wat je effe moet oefenen is een goed biertje tappen, de rest zit gewoon in flessen om uit te schenken, makkelijk zat. En mocht iemand een cocktail willen, dan stuur je die maar naar mij. Maar dat komt bijna nooit voor.” 

Laat kwam hij die avond thuis. De hele avond had hij heen en weer gehold achter de bar met glazen en drinken. Met een grote grijns op zijn gezicht stapte hij de voordeur binnen. Hij had nooit geweten dat drinken inschenken voor mensen zo leuk was! Hij liep naar het raam om de gordijnen dicht te doen, terwijl hij opgetogen fantaseerde over de bar die hij zou openen als het land ooit weer vrij zou zijn. Een langgerekte piep klonk van de gedachtenstraler voor zijn raam. Verschrikt keek hij naar het ding op, om vervolgens met een plotselinge, wilde beweging de loodgordijnen dicht te trekken. 

Niet te geloven! Stomme ezel!

Hij schold op zichzelf, hij moest zijn gedachten echt beter onder controle zien te krijgen! Als de monitorders dit nu maar niet gezien hadden! Hij kon niet geloven dat hij zomaar vrij had gedacht waar de gedachtenstralers het konden zien. Zwaar plofte hij in een stoel. Shitshitshitshitshit, mompelde hij steeds maar weer. Even later keek hij luisterend op. Meteen was hij alert en op zijn hoede. Buiten kwamen zware, dreunende voetstappen dichterbij. Ineens vloog de voordeur open en stond zijn huis vol met mensen in uniform, ieder bewapend met een dodelijke verdwijner. 
“Monitorders!”, blafte de voorste. “Dus jij hebt aan vrijheidsplannen lopen denken? Jij hebt het lef om onze Grote Leider af te wijzen? Wij houden je al een poosje in de gaten, 121876! Het moet nu maar eens uit zijn met die ketterse gedachten! Jij gaat naar de heropvoeding!”. Ruw hesen ze hem uit zijn stoel, dwongen zijn handen op zijn rug. Hij voelde de boeien om zijn polsen dichtklikken. Iemand gaf een trap in zijn rug, hij struikelde naar voren, de voordeur uit en de trap af. Onder de blauwe plekken kwam hij op straat. De monitorders waren niet bepaald zachtzinnig met hem.
Buiten was het een drukte van belang, het lawaai van de razzia had heel de buurt naar buiten gelokt. Hij keek rond en zag bezorgde en meelevende gezichten, die prompt in de plooi schoten toen een gedachtenstraler hun kant op zwaaide. De mensen begonnen hem uit te schelden, zodat ze zelf buiten schot zouden blijven. Ze schopten en sloegen naar hem terwijl de monitorders hem hardhandig het wachtende gevangenisbusje in dirigeerden. 

Even dacht hij nog aan de vogels die hij die middag had zien vliegen, voordat de betraliede deur achter hem werd dichtgeslagen. 

dinsdag 29 januari 2013

121876: Het is weer even net als vroeger


Een vervolgverhaal over een maatschappij waar de mensen geen namen, maar nummers hebben.

deel 4: het is weer even net als vroeger


Ruben nam plaats op een barkruk en vermaakte zich prima met het kijken naar de barmeid, die handig bier aan het tappen was. Hij draaide zich om naar Jan. 
“Zeg, hoe komen jullie daar eigenlijk aan? Aan bíer nota bene!”. 
“Nou, dat brouwen we zelf.”
“Goed zeg, ik wist niet dat dat kon”
“We hebben ooit wat boeken kunnen redden uit een bibliotheek voor die knurften van monitorders de boel in de hens staken. Daar zat een boek over bierbrouwen bij.”
Jan wenkte de barmeid. 
“Hé Jan”, zei ze vrolijk, “hoe is-tie?”
“Nou goed, Jetta. Kijk, dit is Ruben, een nieuweling.”. Hij wuifde naar opzij, waar Ruben zat.
“Nou, wat een knapperd zeg!”. Jetta keek goedkeurend naar Ruben.
“En wil Ruben ook wat drinken?”, vroeg ze schalks.
“Nou, een biertje graag. Als ik dat kan betalen, ik weet eigenlijk niet hoeveel d’r nog op mijn chip staat.”
Jetta schoot in de lach. “Jeetje jij bent écht nieuw hierzo, is het niet? Hier betalen we niet met chip, dan kunnen de monitorders ons direct traceren! De overheid mag niks van ons weten hoor je, dan komen we allemaal in de heropvoedingskampen terecht.”
“Maar hoe moet ik dan betalen?”
“Deze krijg je van mij”, zei Jetta en zette een groot glas gerstenat voor zijn neus. “Jan legt de rest wel uit.”

Ze hadden lang zitten praten. Jan had alles uitgelegd over de openingstijden, het bierbrouwen (wat Ruben heel erg interessant vond), de wederdiensten en waar je aan moest denken als je in de buurt van gedachtenstralers kwam. Ze deden niet aan geld, in plaats daarvan werd bijgehouden wat je gebruikt had en je betaalde met iets wat ze een wederdienst noemden. Het had wat tijd gekost voordat Ruben dat gesnapt had, maar uiteindelijk had hij door dat je niet betaalde met geld, maar met tijd en en met klusjes doen. In ruil voor gratis drinken moest je helpen met glazen halen, drinken inschenken, schoonmaken, afwassen, repareren en brouwen. En dat alles organiseren, natuurlijk. Ruben had zich direct opgegeven voor brouwen, hij wou dat graag leren! 

“En denk er aan, zolang je buiten bent, alleen maar denken aan de Grote Leider! Pas als je thuis de loodgordijnen dicht hebt, ben je weer vrij in je hoofd. Je hébt toch wel loodgordijnen thuis?”, zei Jetta ten afscheid. “Ja, dat gelukkig wel, ik moet er niet aan denken dat ze thuis ook nog in mijn hoofd kijken”, zei Ruben en zwaaide terug. 
Hij wandelde de steeg uit en rende naar de bushalte. Hij haalde de bus nog net. Kijkend naar de gedachtenstralers in de bus, dacht hij geconcentreerd aan zijn nummer, 121876, en aan de Grote Leider, zoals hem was uitgelegd. Krachtig onderdrukte hij alle verraderlijke gedachten. Eénmaal thuis deed hij gauw de gordijnen dicht, met een sombere blik op de gedachtenstraler die op zijn raam gericht stond. “Volgen ze me nou?”, flitste het door zijn hoofd. 
Gelukkig kwamen die dingen niet door de loodgordijnen heen. 

Op de bank hangend liet hij die avond nog even de revue passeren, en voelde zich vrolijker dan hij zich in jaren gevoeld had. Het was bijna net als vroeger geweest, voor de Grote Leider kwam. Hij voelde zich vrijer dan hij zich in jaren gevoeld had. Wat was het gezellig geweest, en wat een toeval dat die Dirk óók zoveel van vogels hield! Ruben had nou al zin om een keer met Dirk mee te gaan om vogels te kijken. 
Goedgemutst viel hij in slaap.

woensdag 16 januari 2013

121876: Een echte ouderwetse kroeg

Een vervolgverhaal over een maatschappij waar de mensen geen namen, maar nummers hebben.
deel 3: Een echte ouderwetse kroeg!
121876 was met de bus naar het centrum van de stad gegaan. Eigenlijk kwam hij hier nooit meer. Vroeger gingen ze nog wel eens winkelen, maar sinds je de overstraalpads had, werd alles wat je nodig gehad gewoon van de webshop naar je toe gestraald. Slenterend door de oude straten zag hij dat het er nogal troosteloos uitzag allemaal. De meeste winkels waren weg. Elke etalage was een zwart gat van leegte. Een langgerekte piep klonk boven hem. Hij keek op en zag een gedachtenstraler. Hij zuchtte. Nou ja, in een winkelstraat aan winkels denken was in elk geval logisch, daar konden ze hem toch niet op pakken.
Een eindje verderop begon een ouder en gehavender deel van de stad. Dit stuk was nog zoals het vroeger was, zag hij, nog niet herbouwd. En hier zaten zelfs nog wat echte winkels. Hij bleef een poosje staan voor de etalage van een antiekzaak, kijkend naar iets vaag bekends. Dat had hij eerder gezien, maar wat was dat toch?

“Een mooi stukje antiek is dat, niet?”,  klonk onverwachts een stem naast hem. Hij keek om en zag een grijsharige man staan in een donkerbruine regenjas, leunend op een wandelstok. Op de één of andere manier wekte hij een sympathieke indruk.
“Ja, ik probeer me te herinneren waar dat ook alweer voor was”, antwoordde 121876.
“Da’s een biertap”
“Een biertap?”
“Wel eens gehoord van een kroeg?”
Ineens begon het 121876 te dagen. Er kwam een onderdrukte herinnering boven drijven van een lange donkerbruine hoge tafel met daarachter zo’n glimmend geval. Er werd een glas onder gehouden, de hendel werd overgehaald en toen stroomde er vloeistof uit de kraan. “Een biertje, en doe de kleine jongen maar een ranja!”, hoorde hij zijn vaders stem zeggen. 
Toen wist hij weer dat dat een bar was, en dat er bier getapt werd. 

“Ja, ik weet het weer.  Mijn vader ging vroeger vaak naar de kroeg, en ik mocht als kleine jongen soms mee”, zei 121876.
“Een machtig mooie tijd was dat”, zei zijn metgezel.
“Ik zou best wel eens weer in een kroeg willen kijken. Jammer dat ze niet meer bestaan.”
Zijn metgezel wierp een blik op hem. Lang was het stil, de vreemdeling dacht duidelijk diep na. Ineens vroeg hij zachtjes: “Mag ik je wat laten zien? Maar je mag het niet verder vertellen. En je mag er al helemaal niet aan denken bij een gedachtenstraler!”. Overrompeld stemde 121876 toe. 
“Oké dan”, zei zijn metgezel, “je moet goed opletten want de volgende keer moet je het alleen kunnen vinden”. 121876 werd door een reeks straatjes geloodst die steeds smaller werden. Uiteindelijk kwamen ze bij een grijze kelderdeur. Door de afbladderende verf was te zien dat het ding ooit donkerrood geweest was. “Je moet één keer lang en twee keer kort bellen. Anders doen ze niet open”, zei zijn metgezel. 

De deur ging open, schielijk stapten ze naar binnen en meteen sloeg de deur weer dicht. Een in het groen geklede vrouw ging hen voor door de hal en door nog een deur. “Verboden voor gedachtenstralers”, stond er op de deur. Uiteindelijk kwamen ze uit in een grote ruimte. Verbaasd keek 121876 om zich heen. Er stonden tafeltjes waar mensen aan zaten en aan de ene lange kant was een bar. Een vrolijk rumoer vulde de ruimte. Hij keek nog eens rond. Een échte bar, met échte ouderwetse barkrukken ervoor. Zijn metgezel draaide zich om en stak zijn hand uit. “Ik ben Jan Pietersen”, zei hij. 

“Een náám? Maar die zijn verboden, die bestaan niet meer!”, riep 121876 verbaasd uit. 
“Hier niet. Hier hebben we gewoon namen, naar de hel met die stomme nummers, die stomme gedachtestralers en die stomme grote leider!”, foeterde Jan. 
“En hoe heet jij? Je ziet er oud genoeg uit om nog een naam gekregen te hebben toen je geboren werd”. 
121876 stond even met zijn mond vol tanden. Een onderdrukte herinnering kwam bovendrijven, van een vrouw die zich omdraaide en tegen hem zei: “Hé Ruben van Oostergast, hoe is het?”. Een gelukzalig gevoel spoelde door 121876 heen toen hij besefte dat hij zich net zijn eigen naam herinnerd had. Hij had een náám!
121876 greep Jan zijn uitgestoken hand en zei: “Ik ben Ruben. Ruben van Oostergast.” 

vrijdag 11 januari 2013

121876 meldt zich

Een vervolgverhaal over een maatschappij waar de mensen geen namen maar nummers hebben. 
deel 1 - deel 3 - deel 4 - deel 5 - deel 6 - deel 7 - deel 8

deel 2 - 121876 meldt zich

“Binnen”, snerpte de stem van de districtschef.
121876 wist dat hij de gedachtenstraler in de aanslag zou hebben. Hij concentreerde zich uit alle macht op het gezicht van de districtschef, dan zou die vermaledijde gedachtenstraler tenminste geen verboden gedachten registreren. Gelukkig registreerden die dingen alleen wat je nú dacht. 
Hij opende de deur en stapte naar binnen. Inderdaad had de districtschef een gedachtenstraler in de aanslag, hij hoorde de typische langgerekte piep. 
“Bang voor de districtschef, hè?”, vroeg de districtschef met een grimmige grijns terwijl hij op het schermpje van de gedachtenstraler keek.
“Goed zo, jongen! Dat doe je dus in elk geval wel goed.” 

“Luister 121876”, begon de chef, ”de monitorders hebben klachten over je privé-leven. Je zit maar al thuis te kniezen. Dat hoort niet. Alle mensen in G….-land horen verdorie gelukkig te zijn! Pas dan is het regime van de Grote Leider een succes! “. Er klonk nu duidelijk angst door in de stem van de districtschef. “Eigen schuld, dikke bult”, dacht 121876. De chef was verantwoordelijk voor zijn onderdanen, als 121876 zich niet aanpaste kreeg de chef ook straf. Alleen daarom al had 121876 zin om tegen hem in te gaan. Hij wou de chef wel eens in de gevreesde martelstoel zien. Dat hij zelf ook helse pijn moest lijden in die stoel, had hij er graag voor over.

De stem van de chef drong weer tot hem door: ”...dus je moet er meer uitgaan, en zorgen dat je gelukkig bent. En als je dat niet lukt, doe je maar alsof. Want als je binnen drie weken niks veranderd hebt, zullen de monitorders een heropvoedingsplan opstellen voor de hele afdeling hier. En nu terug naar je plek!” Dat laatste zinnetje werd hem venijnig toegebeten. 
Langzaam en geschokt liep 121876 terug naar zijn bureau. De monitorders bemoeiden zich ermee! De hele afdeling zou gestraft worden! Tersluiks keek hij door de zaal, waar zijn collega’s naarstig aan het werk waren. Hij wou niet dat die allemaal in De Stoel terechtkwamen. Daar vond hij ze veel te aardig voor.
Het padje op zijn bureau piepte twee keer, en straalde toen een koffie-rantsoen op. “Hè lekker, koffie!”, dacht 121876 bij zichzelf. Terwijl hij aan het werk ging, draaiden zijn gedachten nog eens een rondje rond het gesprek van daarstraks. Hij ging inderdaad weinig uit, nu de straten vergeven waren van gedachtenstralers. Hij haatte die dingen. Zelfs in je eigen hoofd was je niet vrij. Maar nu de hele afdeling zou moeten boeten, moest hij toch maar gaan de komende tijd, al wist hij nog niet waarheen.

woensdag 9 januari 2013

Hij was nummer 121876

Een vervolgverhaal over een maatschappij waar de mensen geen namen maar nummers hebben. 
deel 2 - deel 3 - deel 4 - deel 5 - deel 6 - deel 7 - deel 8

deel 1 - Aan het werk
Aan het ontbijt zittend, dronk hij met een diepe zucht het laatste restje sinaasappelsap op. Hij keek op de klok en zag dat het tijd was om te gaan. Even dwaalden zijn gedachten af naar vroeger, toen hij nog een naam gehad had. Nu was hij nummer 121876. Hij wist niet eens meer hoe hij ooit geheten had.
Zoals elke ochtend had hij ook vandaag niet heel veel zin, maar wat voor keus had hij? Even later was hij onderweg naar de bushalte. In ieder geval zorgde de Grote Leider voor een fatsoenlijke busdienst, bedacht hij cynisch.

Hij vond zijn bureau, zette de computer aan en toog aan het werk. Langzaam liep de zaal vol met collega’s. Verlangend keek hij op de klok, pas over tien minuten kwam het volgende koffie-rantsoen. Vroeger kon hij zelf koffie halen wanneer hij wilde, en had hij zijn eigen cubicle, waar hij foto’s van zijn gezin had staan. Nu was het één grote zaal, met achterin de hoek een verdwaalde plant die er nogal troosteloos uitzag. Foto's van je gezin mochten niet. Die hele zaal was één grote grijze troosteloze bende. Op een kleine verhoging zat de opzichter die met een donkere blik streng de zaal in keek. Gauw richtte hij zijn aandacht weer op het scherm voor hem. De aandacht van de opzichter trekken liep onveranderlijk uit op ellende.

“Attentie! 121876!”, snerpte het ineens uit de luidsprekers. Geschrokken keek hij op. Dat was zijn nummer! Hij stond op en salueerde naar de beveiligingscamera. “Melden!” werd hem toegesnauwd. Toen was het weer stil, op het dreigende tandengeknars van de opzichter na. Met lood in de schoenen liep 121876 naar voren, langs de opzichter naar het luxueuze kantoor van de districtschef.  

Hij wierp een blik naar buiten en zag een vogel voor het raam langsvliegen. Was hij maar die vogel, dacht hij verlangend. Toen klopte hij op de deur. 

zondag 23 december 2012

De Mythengang - een verhaal

Hoog in de bergen, waar sneeuw en ijs nooit smelten, leeft de Mythengang. Hij strekt zich uit tussen twee valleien, van een ijzige grot aan de rechterkant via de tunnel door de bergen die hijzelf is, tot een eendere ijzige grot aan de linkerkant. Vaak kijkt hij nieuwsgierig neer op de valleien aan beide kanten, om te zien wat de tweebeners-mensen aan het doen zijn.
Hij is al zo oud, dat hij moeite moet doen om zich zijn jonge jaren te herinneren. Toen was alles vurig. Zijn moeder, Gaia, liet vulkanen lustig spuwen en lava volop vloeien over haar huid. En de kleine tweebeenwezentjes van wie hij nu zo hield, bestonden toen nog niet.

"Moeder Gaia, vertel eens hoe alles begon", vroeg hij op een dag.
"Wel mijn lieve zoon", zei Moeder Gaia, "het eerste begin heb ik niet zelf meegemaakt, dat was voor ik geboren was. Volgens mijn vader, Vader Sol, was er in het begin een gaswolk. Dat waren de resten van een oude, gestorven ster. Uit die wolk is Vader Sol geboren, en mijn broers en zusters en ik ook. Het begin was heftig. Op een dag raakte een van mijn broeders de controle kwijt, en vloog uit de bocht, recht op mij af. We botsten keihard tegen elkaar, en er vloog een hoop van mij weg de ruimte in. Het heeft lang geduurd voordat ik over die schrik heen was, maar toen uit de brokstukken broeder Maan geboren werd, was ik toch wel gelukkig met Maan.
Later, toen mijn buitenkant vaste rots geworden was, voelde ik iets hoog in de hoogste bergen. Iets bijzonders. Ik concentreerde me op dat vonkje, voedde het. En toen werd jij geboren, mijn zoon."

Zijn eerste herinnering was de rots om hem heen, en het witte spul dat er op lag. IJs noemde Moeder het. Aan zijn beide kanten lagen diepe valleien, en nieuwsgierig keek hij neer op het groene spul daar beneden. Met het verstrijken der seizoenen zag hij hoe het ijs smolt, en als reactie daarop kwamen er allemaal kleurige plekjes op het groene spul. Piepkleine levensvonkjes zwermden er tussen door. Dat waren bloemen en bijen, wist hij nu. Zijn herinneringen sprongen naar een ander punt in de tijd en glimlachend dacht hij terug aan de dieren die gekomen waren. Ze waren steeds groter geworden, totdat het bijna zelf wel lopende bergen leken. En toen waren ze ineens weg, en bleven de kleine dieren over. Weer vroeg hij zich af wat er toen toch gebeurd was, maar hij wist inmiddels wel dat Moeder Gaia daar niet over wou praten. "Hou je liever bezig met die tweevoeters die in jouw valleien zijn aangekomen", zei ze dan.

Dus begon hij de tweebeners te observeren.

Hij had al gauw door, dat zevan de andere vallei niets wisten. De bergen waren zó hoog, dat er bijna nooit iemand van de ene kant naar de andere kant reisde. Hij wist dat ze door hem heen konden trekken, maar op de één of andere manier deden ze dat nooit. Ze waren bang voor hem. Misschien vonden de tweebeners het ook wel te koud. Ze bleven altijd onder de groen-grens. Hij keek in de verte. De vallei aan zijn linkerkant kwam uit op een grote vlakte, met grote bouwsels er op. Er woonden een hoop mensen bij elkaar op een plek. Veel te veel, dacht hij, maar de mensen leken het prettig te vinden om met zo veel op een plek te zijn. "Ach", dacht hij toegeeflijk, "ze zijn ook immers zó klein!"

Aan zijn rechterkant ging het heel anders, de vallei bestond uit op bossen en velden. Er trokken groepen mensen doorheen, die nooit erg lang op één plek bleven. Ze bouwden dan kleine huisjes van hout, en braken die weer af als ze verder trokken. Het verbaasde hem wel, want de mensen aan de linkerkant bouwden zulke grote gebouwen, terwijl de mensen aan de rechterkant bleven jagen, planten verzamelen en hun kleine, tijdelijke houten huisjes bleven bouwen. Zo'n groot verschil!

Hij wist nog dat een van de houten-huisjes-mensen de bergen introk. Een vrouwelijk exemplaar, zag hij. Het was hem een raadsel waarom de vrouwtjes er zo anders uit moesten zien. Moeder Gaia en haar broeders en zusters leken eigenlijk allemaal wel op elkaar: rond, als een bol, en ze draaiden allemaal in hun eigen baan om de grote, lichtschenkende Grootvader Sol. Maar bij de kleine wezens waren vrouw en man duidelijk gescheiden. En bij de tweebeen-mens was dat het duidelijkst. Vooral bij de mensen aan de rechterkant. Het was hem al vaak opgevallen dat de vrouwtjes daar ondergeschikt waren aan de mannetjes. De vrouwtjes werd vaak pijn gedaan als ze niet snel genoeg deden wat de mannetjes wilden. Geen wonder dat dat éne vrouwtje ontsnapt was.

Hij zag dat ze achtervolgd werd, en dat zat hem niet lekker. Dat was de eerste keer dat hij besloot om in te grijpen, en hij trok het vrouwtje met een gedachte naar zich toe. Als ze door hem heen naar de andere kant kon vluchten, zou ze goed terechtkomen, dacht hij.
Hoe dichterbij ze kwam, hoe beter ze zich voelde. Hij was verbaasd dat hij de gevoelens in deze kleine tweebeners zo makkelijk kon manipuleren. Hij moest toch eens uitzoeken hoe dat kon. Hij schonk het vrouwtje vrije doorgang naar de andere vallei, en keek toen kwaad naar de achtervolgende mannetjes. Hij zag hoe bang ze werden toen hij echt kwaad op ze werd. "Net goed", dacht hij. "Wees maar flink bang". Hij schudde flink wat stenen uit de bergwand los en liet die in een machtige aardverschuiving naar beneden tuimelen. Dat zou hen vast wel duidelijk maken dat ze niet verder mochten.

Toen hij zag dat de achtervolgende mannetjes gillend rechtsomkeert maakten, keek hij weer naar het vrouwtje. Ze was uitgeput van het rennen. Hij streelde haar met een gedachte en riep met een ingeving de grote-witte-gebouwen-mensen aan de andere kant naar zich toe. Die zouden goed voor haar zorgen. Daar zorgde hij wel voor.