Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen

vrijdag 13 oktober 2017

Overdenkingen van een zwarte kater

Hij zat zich te wassen in de ochtendzon. Terwijl hij naar buiten keek, liep een mens ineens naar de overkant van de straat. Wat dat toch was, snapte hij niet: hij verzorgde zijn mooie zwarte vacht toch zo goed. De witte kat van de overkant kon altijd wel op veel aandacht rekenen (maar toegegeven, ze was ook een schoonheid, vooral haar prachtige elegante staart vond hij erg mooi).

Hij sprong van de vensterbank af en ging op een zonnig plekje liggen op het tapijt. Hier had je als kat tenminste de ruimte om je uit te strekken. Behaaglijk soesde hij weg, terwijl zijn herinneringen hem terug voerden naar de tijd dat hij zelf nog een mens was geweest.

Het huisje in het bos waar hij gewoond had, was altijd een beetje gammel geweest en deed was sinister aan, zo verstopt onder de bomen. Altijd als hij terug kwam van kruiden zoeken, viel het hem weer op. En dan kon hij ook wel begrijpen waarom de mensen dachten dat hij kon toveren. Hij was ook een beetje raar, zo heel alleen in het bos wonend. En hij ook wel last van rare dingen, rare toevalstreffers en zo. Van die dingen waardoor je jezelf afvroeg of het wel toeval wezen kon.

Achteraf, nu hij als kat lekker ledig lag te liggen in de zon, wist hij dat hij inderdaad magisch talent gehad had; als hij het had kunnen ontwikkelen was hij misschien wel een nieuwe Merlijn geworden. Maar het had niet zo mogen zijn, en gedurende zijn hele menselijke leven was de bovennatuurlijke wereld zo doorzichtig voor hem geweest als een solide bakstenen muur. Hoe fanatiek de dorpelingen ook gevonden hadden dat hij een tovenaar was. Vervloekt zij die bangeriken die hem op de brandstapel gezet hadden, dacht hij boos. Sterven door levend verbranden was uiterst pijnlijk gebleken, en toen hij herboren was als kitten, had hij zichzelf gezworen om alles te doen wat hij kon om te voorkomen dat iemand datzelfde lot zou overkomen.

Alles met elkaar was zijn leven als kat nu zoveel beter dan zijn leven als mens ooit was geweest. Geen gammel lekkend hutje ver weg van iedereen, maar een comfortabel, goed gebouwd huis met een solide dak er op. En met die moderne centrale verwarming. Hoe heerlijk was het om tegen de radiator aan te kruipen!

Hij gaapte, rekte zich uit en sprong weer terug op de vensterbank om te kijken of de de witte poes van de overkant misschien ook buiten was. Hij wou wel even een eindje met haar wandelen, ook al was ze bij leven een heuse heks geweest.

"Ik geloof wel in bijgeloof", zei Witje toen ze samen de straat uit liepen. "Tenslotte", ging ze verder, "had je als mens ooit kunnen bevroeden dat wij katten ooit mens zijn geweest? En dat je als kat terug zou komen?"

Nee, dacht hij bij zichzelf, dat had hij nooit vermoed. En dat zei hij ook. "Wist jij dat dan wel?", vroeg hij zijn witgevachte metgezel. "Nou, echt helemaal zeker weten kun je dat als mens natuurlijk niet", begon ze, "maar als goed opgeleide heks ging ik er wel van uit dat katten zeer intelligente wezens zijn."

"Maar wat moeten we nu dan met die kennis", antwoordde hij.

"Onze eerste taak als kat is om onze mens te ondersteunen. In tegenstelling tot wat veel mensen denken, bestaat toeval niet. Ze noemen het toeval, ongelukjes, maar in werkelijkheid is het het werk van bovennatuurlijke wezens waarvan ze het bestaan niet kunnen of willen weten. Enkel mensen die sterk genoeg zijn voor een grotere wereld zullen de mogelijkheid krijgen om haar te betreden. Daarom heb jij als mens nooit de kans gekregen om je magische talenten te ontwikkelen: je was er simpelweg nog niet klaar voor. Als je in dit kattenleven je best doet, kun je dat in je volgende mensenleven wel zijn."

Ze pauzeerde even om speels te meppen naar een voorbijfladderende vlinder, en vervolgende daarna haar uitleg: "Jij als zwarte kat hebt hier een extra belangrijke taak: je moet je mens begeleiden en voorkomen dat ze fouten maakt. En ondertussen moet je zelf ook het nodige leren, zodat je in je volgende mensenleven wijzer zult zijn dan je in je vorige even was."

Hij was onder de indruk, zowel van haar woorden als van de toekomst die ze hem boden.

"Alles is verklaarbaar", drong het tot hem door. De rare toevalstreffers die hem hadden achtervolgd, zijn positie als kruidendokter aan de rafelranden van de mensenmaatschappij, zijn terugkomen als zwarte kat. En hij nam zich voor om heel hard zijn best te doen om te leren, om klaar te zijn voor zijn volgende mensenleven. .

"Hoe bescherm ik mijn mens dan tegen fouten?", vroeg hij aan Witje. "Hoe weet ik dat ze er een maken gaat?"


"Soms weet je dat niet", antwoordde ze. "Maar soms voel je dat, diep in je botten. Het is een kwestie van instinct, katteninstinct. Je moet dan al je kattentrucjes inzetten: haar voor de voeten lopen zodat ze ergens niet kan komen, haar aandacht afleiden door vervelend te mauwen of iets van de tafel te gooien, noem het maar op."

Ineens moest hij denken aan een van de laatste keren dat hij als mens in het dorp was geweest. De rode kater van de dominee had hem voor de voeten gelopen. Hij vertelde het aan Witje. "Was dat dan ook een kwestie van instinct?", vroeg hij.

"Nou, met alleen die informatie weet ik dat natuurlijk niet, maar denk eens na: wat was je aan het doen, waar ging je heen?"

Hij was een poosje stil terwijl hij naar een rondhuppende mus lag te turen.

En toen kwamen de herinneringen met volle kracht bovendrijven. Het steegje waar hij gelopen had, de horde mensen die achter hem aan had gezeten, hem beschuldigend van de dood van twee koeien van een boer die even buiten het dorp woonde. Twee doden waar hij niets mee te maken had, maar waar hij als rariteit toch de schuld van had gekregen. Als de rode kater hem niet voor de voeten gelopen had, hadden ze hem te pakken gekregen. Uiteindelijk was hij toch op de brandstapel terecht gekomen, maar die kat had gedaan wat hij kon om dat te voorkomen.

In zijn volgende leven moest hij zeker weten meer aandacht besteden aan dergelijke kleine zaken.

Nu weet ik dat ik als kat mezelf kan zijn, kats kan zijn, dacht hij bij zichzelf toen hij afscheid genomen had van Witje en weer thuis in de vensterbank lekker ledig lag te wezen. Dat ik mijn instinct mag en zelfs moet volgen. Zouden mensen ook zulke instincten hebben? Witje zei dat ik later misschien wel terug kom als mens. Zou ik dat instinct dan mee kunnen nemen? Ze zei toch niet voor niets dat ik nu mijn best moet doen om veel te leren, dat zal ik toch ergens mee moeten kunnen nemen?

Gaandeweg werd hij steeds enthoustiaster, en toen zijn mens thuis kwam, sprong hij energiek op om haar al kopjes gevend te begroeten en even later bij haar op schoot te kruipen.

Hij begon te spinnen toen ze hem zachtjes over de kop krabde.

Ineens realiseerde hij zich hoeveel hij van zijn mens hield. Ergens wist hij altijd al wel dat hij het als huiskat goed getroffen had, maar nu drong het pas echt goed tot hem door. Hij hield van zijn mens, van die groene ogen die geamuseerd naar hem keken als hij als een kitten speelde tot aan de lange slanke vingers die hem zo zalig over zijn kop konden krieuwelen En hij voelde ineens de sterke drang om haar te beschermen. Niet eens om zelf een goed volgend mensenleven te verdienen, maar simpelweg omdat hij om haar gaf. Hij knipperde met zijn ogen en keek haar aan. "Mauw", zei hij op zijn liefst.

Jammer dat mensen geen kats spraken Hij kon helemaal niet zeggen hoeveel hij van haar hield. Hij zou het moeten tonen door zich er naar te gedragen, en dan kon hij enkel maar hopen dat ze het snappen zou.



zaterdag 5 augustus 2017

Jeugdwinkel - een verhaal

De bel klingelde.
Nieuwsgierig keek de verkoper op van zijn toonbank om te zien wie er binnenkomt.
"Goh, wat een leuk winkeltje!", zei een ouder vrouwtje die achter een rollator voorzichtig naar binnen schuifelde. "Het lijkt wel een ouderwetse kruidenier!"
"Dank u wel voor het compliment, mevrouw", antwoordde de verkoper, "en welkom in Jeugdwinkel Rimpelvrij. Waar kan ik u mee helpen?"

De mevrouw keek even rond, aarzelde.
"Zegt u het maar, mevrouw, ze komen hier uit alle lagen van de bevolking."
Ze giechelde als een jong meisje, en even zag je duidelijk welk een schoonheid ze moest zijn geweest.
"Eigenlijk was ik op zoek naar, ehh, nou ja, ehhh", aarzelde.

Begrijpend glimlachte de verkoper. Zijn producten waren ook nog wel erg nieuw, maar effectief waren ze wel. "Leve de wetenschap die dit allemaal mogelijk maakt", dacht hij bij zichzelf.

"U bent nog zo jong, u begrijpt het misschien niet, maar ik zou zo graag wat soepeler zijn", maakte het oude vrouwtje uiteindelijk haar zin af.
De verkoper kuchte om haar te onderbreken.
"Eigenlijk ben ik 85 jaar, mevrouw. Maar ik heb zelf ook een kuur gedaan, vandaar dat ik fysiek 25 ben.", legde hij uit. "En wat een verschil!", ging hij juichend verder, "geen artritis, geen moeizaam bijhouden van alle veranderingen om ons heen, soepel de trappen op en af zonder pijn in je knieën, zomaar even een gevallen tablet van de grond oprapen, het kan ineens allemaal weer!"

"Ja ehhh ja, dat klinkt goed. Dat is het eigenlijk precies", zei het oude vrouwtje. "Dat wil ik ook, en ik heb gespaard en ehhh, ja ehhh, ik hoopte eigenlijk dat ik me een paar jaar jonger zou kunnen veroorloven."
"Nou, daar kunnen we vast wel voor zorgen", reageerde de verkoper begripvol. Hij legde uit dat het een tweemaandelijkse kuur betrof van pillen die ze elke dag moest slikken. En hij mocht het haar niet zomaar meegeven, ze moest eerst een briefje van haar huisarts laten zien. Als de kuur eenmaal afgelopen was, zouden alle cellen in haar lichaam verjongd zijn, en vanaf dan zou ze weer gewoon normaal verouderen als ieder ander.

Het oude vrouwtje keek wat twijfelend. "En wat kost dat dan allemaal?'.
"Nou, de 25 kost 439 allor, de 21 is 459 allor, en de 18 is momenteel in de aanbieding voor slechts 229 allor."
"Oh, 229 allor kan ik betalen!", riep het vrouwtje verheugd. "Maar is 18 jaar niet een beetje erg jong?"
"Om u de waarheid te zeggen: ja inderdaad. Daarom is het ook in de reclame, het wordt lang niet zo goed verkocht als de andere leeftijden. De 21 is het populairst, daarna de 25 en de 29 en daarna op grote afstand de 18 pas."
"Maar als de kuur af is, verouder ik weer gewoon zoals normaal? Ik ga dan niet pardoes ineens terug naar nu?"
"Nee mevrouw, als u eenmaal verjongd bent, wordt u weer gewoon ouder net zoals de eerste keer dat u 18 was."

Even was het vrouwtje stil. Ze vond het toch wel een grote beslissing.
Tenslotte hakte ze de knoop door.
"Doet u mij maar een kuurtje 18", besloot ze.
De verkoper pakte haar bestelling in, en nadat ze afgerekend had stopte ze het kostbare pakje in het mandje van haar rollator, om even later voorzichtig de winkel weer uit te schuifelen.

Er zat wel een zekere symmetrie in, bedacht ze. Nu was ze 81, over twee maanden zou ze 18 zijn. Jong genoeg om weer te gaan studeren. Misschien kon ze bejaardenverzorger worden, of verpleger of zo. Ze wist nu uit eigen ervaring was het was om gebrekkig te zijn en dagelijks pijn te hebben.

Als ze éénmaal weer jong was, ging ze beslist wat met die ervaring doen.

Maar ze zou ook genieten. Genieten van haar jonge lijf, van soepel trappen op en af rennen, van hele middagen wandelen in het bos en van moeiteloos een gevallen pen van de grond oprapen, en van alle dingen die vrouwen nu mochten die zij nooit mocht toen ze nog jong was.

zondag 19 maart 2017

Een wintersportverhaal

Laatst was er weer eens een schrijfcafé, en uit alle 5-minuten-hier-en-3-regels-daar-opdrachten rolde aan het eind dit verhaal


De weide van wit van de sneeuw. Stiekem vroeg hij zich af of er boven op de bergtop een Heidi woonde, met haar grootvader. Nu hij voor het eerst in winters Zwitserland was, vond hij het nogal wat voor zo'n oude baas om bovenop een alp te wonen, maar als je er al je hele leven woonde wist je natuurlijk niet beter. Terugdenkend aan de vele middagen dat hij het verhaal had zitten voorlezen aan zijn zieke zus, veronderstelde hij wel dat het een schamel leven geweest moest zijn. In ieder geval zouden Heidi en haar grootvader beter kunnen skieën dan hij. De eerste paar lessen waren geen succes geweest en hij had het maar opgegeven. Volgend jaar ging hij wel naar de Rivièra of zo.


Hij vroeg zich af waarom hij altijd opgaf. Opgeven liep als een rode draad door zijn doelloze leven. Het enige waar hij keihard voor gevochten had, was het leven van zijn zus, zijn lieve Marie. Trouw had hij aan haar bed gezeten, met zijn negen jaren wist hij heel goed hoeveel hij om haar gaf en hoeveel juist de kleine dingen voor haar betekenden. Een verse kop thee, een koud kompres voor haar koortsige voorhoofd, haar voorlezen of simpelweg zijn huiswerk maken. De namen van de landen samen opzoeken op de wereldbol die vader hen cadeau gedaan had, en fantaseren hoe het daar zou zijn, welke feesten ze daar zouden vieren, welke taal ze zouden spreken en wat ze leuk en niet leuk zouden vinden. Ooit zouden ze er samen naartoe.


Niks te doen. Niksniksniksniks. Aan de koffie na het ontbijt terwijl zijn reisgenoten op de piste stonden. Of anders er naartoe onderweg waren met die vreselijke stoeltjeslift. Hij verveelde zich en speelde gedachtenloos met het koekje dat bij zijn koffie zat. Misschien moest hij over zijn zieke zus gaan schrijven. Gewoon voor zichzelf, en over dat alles wat hij gedaan had voor haar toch niet had kunnen voorkomen dat ze dood ging. Doorzetten was zinloos, had hij toen geleerd, maar vaak dacht hij dat dat misschien wel niet klopte. Als hij alles uit zijn hoofd kon krijgen, kwam hij daar misschien wel vanaf. En bovendien had hij nu toch niets beters te doen.


Nadat zijn koffie op was, toog hij de kou in naar het enige winkeltje in dit kleine alpendorp, om potloden en een schrift te kopen. De dagen er op kon men hem naarstig bezig zien, het potlood als een levend wezen over het papier dansend, terwijl hij met zijn gedachten in die slaapkamer was, duitse woordjes repeterend terwijl zijn zuster sliep, de gordijnen gesloten tegen de schelle middagzon. Wat zou hij niet geven voor nog één laatste gesprek met haar!


De rust werd ruw verstoord toen zijn reisgenoten terug kwamen van de piste. Sjaals en wanten vlogen her- en derwaarts toen ze neerploften en om glühwein vroegen. Flink veel, want ze wilden graag dronken worden. Opeens kwam hem dat zinloos voor, en hij verkoos het gezelschap van zijn zuster, ofschoon zij nu nog enkel bestond in de woorden die hij aan het goedkope schriftje had toevertrouwd. Hij mompelde een excuus en vertrok naar zijn kamer.


Nee, wintersport was niks voor hem. Oh zeker, het was een mooi land, net een levende kerstkaart, maar skieën was niks voor hem, en après-ski ook niet echt. Het gaf hem een gevoel van weglopen voor zichzelf. De anderen zouden dat niet snappen, die dachten simpelweg aan lol maken. Maar hun definitie van lol kwam toch niet echt overeen met het zijne. Nee, volgend jaar bleef hij wel mooi thuis.


Het begon weer te sneeuwen en een poosje zat hij te staren naar het neerdwarrelende wit. In het echt leek sneeuw meer op watten dan op de mooie zeskantige kunstwerken die je onder de microscoop zag. Gelukkig gingen ze morgen terug naar huis, en vol verwachting keek hij uit naar zijn straat, zijn voordeur, zijn woonkamer, zijn oude koffiemok en zijn bed. Hij hoefde alleen vandaag nog maar door te komen en dan was het achter de rug. En hij was er ook wel klaar mee, eigenlijk. Wel zou hij het schriftje meenemen naar huis, en hij beloofde zichzelf om elke avond voor het slapen gaan aan zijn zuster te schrijven. Wie weet was ze nu wel een engel en zou ze in zijn dromen terugschrijven.

vrijdag 23 december 2016

Behoud van de sterrendiamanten, deel 9 van 9

Download het eBook: http://rubenseschone.nl/ebooks.php

Een paar maanden later zaten de drie wetenschappers elkaar aan te kijken boven een kop warme chocolade, terwijl ze het hadden over de uitnodigingen die ze hadden ontvangen van de Kerstman.

Het werk van de drie wetenschappers was erg goed opgeschoten, en dankzij hen en de mensen van Silmana was een week terug in de senaat een serie wetten goedgekeurd die de inwoners van Kerstania erkenden als mensen, waardoor de handel in sterrendiamanten nu echt goed aangepakt kon gaan worden. Professor Fonda was opgewonden: hij was uitgenodigd om het vertrek van de Kerstman bij te wonen, op kerstavond, als hij naar de aarde vertrok om cadeautjes te bezorgen bij alle kinderen. Kodiko en Latoko gingen mee; toen bleek wat sterrendiamanten werkelijk waren, wilde Kodiko er geen sikkepit meer mee te maken hebben en betaalde zelfs mee aan het onderzoek van de professor. Dat zijn naam daarmee mede verbonden was aan de wetenschappelijke onderzoeken en aan de "ontdekking" van Kerstania, had natuurlijk wel veel geholpen. Kodiko had altijd al iets groots op zijn naam willen schrijven.

Dat was toch nog wel onverwacht geweest, peinsde de professor. Hij had eigenlijk niet verwacht dat Kodiko nog iets van een geweten zou hebben, maar kennelijk werkte het toch nog, en stukken beter dan hij en Latoko hadden verwacht. De relatie tussen die twee was sowieso veranderd sinds hun laatste bezoek aan Kerstania: Kodiko behandelde Latoko nu als weer als een geliefde echtgenote. Ergens waren die twee helemaal opnieuw verliefd op elkaar geworden. En dat maakte de professor gelukkig, want zij was toch altijd een beetje de dochter geweest die hij nooit gehad had.

Hij stapte door de sterrenpoort en liep aan de andere kant gauw de trap af om plaats te maken voor zijn reisgenoten. Vrolijk groette hij het gezelschap van de van Vlieten, die even daarvoor overgestoken waren. De oude van Vliet stond te ginnegappen als een jochie van tien, en de professor voelde zich zelf ook weer een klein jochie. Uitgenodigd worden om de Kerstman vanaf de eretribune uit te zwaaien was toch niet niks!

Mirana kwam hen begroeten: "Goedemorgen dames en heren! Zoals u waarschijnlijk wel kunt begrijpen, kan de slee u niet komen ophalen, maar u kunt oversteken naar het hoofdkwartier via een kerstportaal." Vrolijk keuvelend liepen ze achter Mirana aan naar het grote plein, waar een grote magische poort stond waar een hele rij elfen, kabouters, kerstbomen, kerststerren, rendieren en andere wezens vrolijk keuvelend voor stond te wachten. Er waren er velen die de Kerstman wilden uitzwaaien. Ze sloten netjes aan in de rij en een half uurtje later liepen ze in het licht van het noorderlicht naar de eretribunes.

Het was nog ochtend, maar omdat de aarde verdeeld was in tijdzones en de kerstman overal in de kerstnacht langs moest, moest hij nu al vertrekken. Hij zou morgenmiddag weer terug komen. Aan het einde van de startbaan gingen de grote deuren van de hangar open, en onder luid gejuich verschenen de rendieren, die een prachtig opgepoetste slee voorttrokken. De rendieren moesten hard werken, want de zak met pakjes was groot en zwaar. De belletjes aan de slee en het tuig van de rendieren glommen en tinkelden. Alles was precies zoals de kerstverhalen je altijd vertelden.

Latoko keek er naar en zong in zichzelf het oude liedje dat haar moeder altijd voor haar zong: "je kent Dasher en Dancer en Prancer en Vixen. Comet en Cupid en Donner en Blitzen. Maar herinner je je wel het beroemdste rendier van al?". En daar liepen ze gewoon alle negen, zwoegend op gewicht van de slee met pakjes. Het was bijna niet te geloven dat dit allemaal echt gebeurde, en ze was trots dat zij degene was die het balletje aan het rollen had gebracht door haar bezoek aan de professor al die maanden geleden. Verliefd keken Kodiko en zij elkaar aan en ze was weer ontzettend trots op haar man dat hij zo voortvarend de sterrendiamanthandel bestreden had. Hij bleek uiteindelijk toch een goed mens te zijn en ze was erg blij dat de ongewone omstandigheden dat goede mens uiteindelijk boven water getoverd hadden.

Toen even later de Kerstman verscheen, stond ze op en juichte ze uit volle borst mee met alle anderen. Hij zwaaide en lachte, klom in de slee en liet voor de show de zweep in de lucht knallen. Beledigd schudden de rendieren hun hoofden, waarna ze braaf aantrokken en de zware slee onder oorverdovend gejuich de lucht in sleepten. Na nog een rondje boven het vliegveld verscheen er een magisch portaal in de lucht, waardoor de arrenslee verdween, onderweg naar al die huizen met kinderen die gespannen wachtten op het tinkelen van belletjes en het getrappel van rendierhoeven op het dak.

Terwijl de poort sloot, hoorden de zware stem van de Kerstman lachen en roepen: "HO HO HO! Vrolijk kerstfeest! "

donderdag 8 december 2016

Behoud van de sterrendiamanten, deel 7 van 9

Download het eBook: http://rubenseschone.nl/ebooks.php

De drie wetenschappers keken gefascineerd hoe land en zee onder hen voorbij vlogen terwijl de slee stug op koers bleef naar het noorderlicht. Kennelijk was het hoofdkwartier op de noordpool, weer net als in de kerstliedjes. "Goh", zei professor Fonda, "alles is tot dusver precies als in de kerstliedjes, zou dat hoofdkwartier dan bestaan uit enorme speelgoedfabrieken?". Silmana lachte vrolijk en zei dat ze dat wel zien zouden als ze er waren.

Professor Fonda bekeek Silmana nu met heel andere ogen. Ze hadden een poos naar zijn uitleg zitten luisteren, en ze hadden de bewijzen gezien die Silmana tot dusver verzameld had. Alles met elkaar waren ze nu wel overtuigd van zijn goede bedoelingen. Dat ze zelfs de beurs voor hun onderzoek aan bemoeienissen van Silmanas ministerie te danken hadden, had helemaal de deur dicht gedaan.

Intussen wisten ze wel meer van de situatie. Het bleek dat de handel in sterrendiamanten aan deze zijde van de poort voornamelijk liep via de georganiseerde misdaad, die sterrendiamanten door de poort smokkelde om ze aan de andere zijde via onwetende juweliers zoals Kodiko te verkopen.

Omdat Silmana politierechercheur was, was hij zo bij de zaak betrokken geraakt. Handel in elfen was niet bepaald de mensenhandel waar Silmana gewoonlijk bij betrokken was, maar vanwege de enorme bedragen die er in deze handel omgingen, werd zijn ervaring bijzonder op prijs gesteld door de undercover agenten die al aanwezig waren op Kerstania. Het onderzoek van de wetenschappers was door Silmana met vreugde begroet: de mensen moesten weten wat er gebeurde omdat de wetten over mensenhandel enkel over mensen ging en niet over elfen of andere bewuste wezens waarvan de mensen niet wisten dat ze bestonden. Dat detail maakte dat de handel in sterrendiamanten volledig legaal was, en dus ook dat politie en justitie eigenlijk maar weinig konden doen, ook al was dit overduidelijk niet in de haak. En daar kwamen de wetenschappers in beeld: mits juist aangepakt konden hun onderzoeken en publicaties helpen de mensen te overtuigen van de verkeerdheid van dit alles.

Een slangenkuil was het, dacht professor Fonda. Dat had die oude van Vliet goed gezien tijdens dat gesprekje op het plein. Ze zouden hun onderzoek met plezier doen en met vreugde openbaar maken als dat ervoor kon zorgen dat iedereen hier rechtvaardig behandeld werd. Eerst en vooral moesten ze wetenschappelijk bewijzen dat de wezens hier bewust waren, en denkend, en konden organiseren, en alles. Het tafereel met de balies in de aankomsthal suggereerde alvast een uitgebreide bureaucratie, en dat betekende toch een samenleving met een hoge organisatiegraad. Daarom hadden ze hier net zo goed recht op mensenrechten als ieder ander, vond de professor. Al moest je die dan natuurlijk wel anders noemen.

Het landschap onder hen was intussen wit geworden en de lucht koud. De rendieren zetten de daling in en voorzichtig landde de slee op wat er uitzag als een klein vliegveld, compleet met landingsbaan en verkeerstoren. Voor een klein gebouwtje kwamen ze tot stilstand. Daarachter was een uitgestrekte stad zichtbaar. Ze stapten uit en een sterrendiamant kwam hun kant op zoemen en bleef stil hangen voor het gezicht van professor Fonda. Intuïtief stak hij zijn vlakke hand uit, en met een tinkelend plofje veranderde de sterrendiamant in de kleinste elf die hij hier tot dusver gezien had. Het was een vrouwelijk exemplaar en ze ging koket op zijn hand zitten.

"Dag heren", kwetterde de elf terwijl ze knipoogde naar de professor. Ze deed de professor tegelijkertijd aan Betty Boop en aan Tinkelbel denken en even was hij de lieftallige Latoko volledig vergeten. "Ik ben Rika. Welkom op Kerstania!". Met een tinkel was ze verdwenen, om even later op menselijke grootte voor hen te staan. "Zo", zei ze vrolijk terwijl ze voor hen uitliep naar een door yaks getrokken koets, "deze grootte vinden jullie vast prettiger. "

Ze bracht hen uiteindelijk naar een comfortabel ingerichte zitkamer waar het haardvuur lustig brandde. Een schenkkan en kopjes stonden naast een schaal koekjes op tafel, de kan bleek warme chocolademelk te bevatten. De jonge van Vliet bromde goedkeurend en schonk alvast drie kopjes in voor hen. Het laatste deel van de reis was toch wel wat koud geweest. "HO HO HO!", hoorden ze even later een stem in de gang lachen. "Jullie hebben je alvast maar ingeschonken! Heel goed, heel goed. Voel je op je gemak bij ons!". Ze keken om en een gezette figuur in rood-witte kleding stond op de drempel. De Kerstman!

donderdag 24 november 2016

Behoud van de sterrendiamanten, deel 6 van 9


Download het eBook: http://rubenseschone.nl/ebooks.php

Buiten de deur volgde het gezelschap Silmana naar een rustig hoekje van de tuin, waar ze eventuele afluisteraars van verre konden zien aankomen. "Heren", begon Silmana, "zoals u wellicht al gezien hebt, hebben wij veel te doen met betrekking tot de elfen oftewel sterrendiamanten. Aangezien u drieën wetenschappers bent, en dus geen handelsbelangen hebt, neem ik nu het risico om u te vertrouwen", ging Silmana op zachte toon verder.

"Een sterrendiamant is één van de vele vormen van de elfen die hier wonen. Het gaat hier om bewuste, denkende, aanspreekbare wezens met een eigen wil en een eigen mening. Het is verkeerd om hen te verhandelen alsof zij dieren of dingen zijn. Een aantal van ons is in de handelsketen geïnfiltreerd en met uw hulp hopen wij die handel op te kunnen rollen. Om ook aan deze zijde hulp te kunnen hebben en bieden, heb ik een audiëntie geregeld met het staatshoofd hier. Over tien minuten worden we opgehaald op het plein hier recht tegenover en dan …"

"Wacht even!", onderbrak de oude van Vliet, " 'We'? Wie zijn die 'we' eigenlijk? En wat hebben zij met ons onderzoek te maken? Ik wil wel wat meer van deze slangenkuil weten voor ik verder ga." Professor Fonda knikte instemmend, daar was hij ook wel benieuwd naar. Er was hier van alles aan de hand waar zij totaal niets van wisten en wat voor hun onderzoek van belang kon zijn.

"Terechte vraag", vond Silmana, "ik zal onderweg alles uit de doeken doen, ik hoor ons vervoer al aankomen. Voorlopig kunt u er van op aan dat ik met lijf en leden garant sta voor uw welzijn". Enigszins gerustgesteld luisterde professor Fonda, maar hoorde niets, behalve het zachte tinkelen van belletjes ver weg dat langzaam dichterbij leek te komen.

"Ik hoor niets", zei hij.
"Hoort u die belletjes?".
"Ja, maar wat hebben die belletjes…"
"Dat is ons vervoer. Kijk daar in de lucht".

En Silmana wees naar de horizon, waar een klein stipje langzaam groter werd, en uiteindelijk de vorm aannam van een heuse arrenslee met rendieren.

De arrenslee landde, en de professor zag dat hij leeg was. Er waren comfortabel uitziende banken waar ze op konden zitten, en achteraan was een grote bak waar kennelijk op kerstavond de grote zak met pakjes in vervoerd werd. Even voelde hij zich weer een kind, die aan de hand van zijn moeder bij het warenhuis in de rij stond voor een ontmoeting met de kerstman. Het zag er echt naar uit dat dat onbekende staatshoofd de kerstman kon wezen, al was dat natuurlijk ongelooflijk. Maar in de korte tijd die hij nu op deze wereld was, had hij aan de lopende band ongelooflijke dingen gezien.

Silmana nam hen mee om met de rendieren kennis te maken. Hij stelde ze alle negen voor (zelfs de namen van de rendieren klopten precies, bedacht de professor opgewonden) en één voor één negen ze het hoofd ter begroeting. "Prettig kennis te maken", sprak de voorste, die voorgesteld was als Rudolf en net zo'n rode lichtgevende neus had als in de kerstliedjes. "Als u in de slee stapt, brengen wij u naar het hoofdkwartier. Gelieve wel de gordels vast te maken, want we zullen hoog en snel vliegen en als u uit de slee valt, kunnen we niet vlug genoeg bij u zijn om u op te vangen voor u te pletter valt". Ze klauterden in de slee en vertrokken meteen met een flinke vaart.

zaterdag 19 november 2016

Behoud van de sterrendiamanten, deel 5 van 9

Download het eBook: http://rubenseschone.nl/ebooks.php

Hij wist niet wat hij zag, en daarom stond professor Fonda met open mond en grote ogen te staren. "Sodeju, werkelijk zeg, sodeju", hoorde hij de jonge van Vliet naast hem vol verbazing mompelen. En wát een magnifiek gezicht was het!

Ze stonden in een grote hal, een soort foyer, met aan de ene kant een serie balies en aan de andere kant hoge ramen en glazen deuren die uitkwamen op wat een grote tuin leek. Vreemd vertrouwde wezens krioelden door elkaar, bezig met wie-weet-wat, en sterrendiamanten zweefden door de lucht terwijl ze glinsterend fonkelende stof uitstrooiden. Professor Fonda wist niet waar hij moest beginnen met kijken, maar na een ogenblik begonnen hem toch dingen op te vallen.

Voor een balie stonden twee rendieren met rode neuzen op luide toon te redetwisten met het peperkoekmannetje dat achter die balie hulpeloos met een vel papier stond te zwaaien. Een balie verderop zweefden een stel elfjes die bezig waren met het invullen van een stapel formulieren, hun fragiele vleugeltjes glinsterend in het licht van de enorme kerstboom die in het midden van de hal vrolijk kerstliedjes stond te zingen. Een grote zwerm rood-witte snoepstokken hinkelde over het grasveld buiten terwijl ze onder elkaar vrolijk kwetterden. Terwijl hij naar ze stond te kijken, veranderden de twee elfjes pardoes in sterrendiamanten en scheerden door één van de deuren naar buiten over de snoepstokken heen, waar de snoepstokken zo van schrokken dat ze pardoes alle kanten uit hinkelden. Het was net een troep mussen, vond professor Fonda.

"Silmana had gelijk", dacht de professor, "het zijn inderdaad levende wezens. Elfjes nog wel!". Iemand naast hem porde hem in de zij.

"Wat een kerstige boel hier, niet?", zei de jonge van Vliet met een lyrische uitdrukking op zijn gezicht. "Is het niet geweldig!".

"Ja, zag je net ook hoe die twee elfjes ginder pardoes in sterrendiamanten veranderden?", vroeg professor Fonda.

"Ja, man! Zouden die sterrendiamanten die bij ons thuis verkocht worden ook elfjes zijn? En kunnen ze dan nog wel terug veranderen, of zitten ze opgesloten?". De lyrische uitdrukking op het gezicht van de jonge van Vliet was verdwenen en had plaatsgemaakt voor een bezorgde uitdrukking. "We hebben hier in elk geval een hoop te doen, en thuis straks ook, want dat kan natuurlijk niet zomaar.", besloot de jonge van Vliet strijdlustig.

donderdag 10 november 2016

Behoud van de sterrendiamanten, deel 4 van 9



"Zo!", zei professor Fonda tegen iedereen, "volgens mij hebben we nu alles. Heeft iedereen het noodzakelijke ingepakt? Ja? Mooi, dan kunnen we gaan. Op naar de sterrenpoort!", sprak hij terwijl hij zijn rugzak op zijn rug hees. Verbaasd keek hij om toen zijn twee mede-expeditieleden begonnen te klappen. Die reactie op zijn toch wel erg magere aanmoedingspreek had hij niet verwacht. Maar kennelijk was de magie van het onbekende achter de sterrenpoort sterk genoeg om ook hen te betoveren.

Hij liep de trap op en bleef op het podium vlak voor de poort nog even staan. Na nog één blik achterom naar Kodiko en Latoko richtte hij zijn aandacht op de paarse schemering voor hem waar Silmana al in verdween. Met een mengeling van angst en nieuwsgierigheid ging hij Silmana achterna naar het onbekende.

De paarse schemering in de poort was desoriënterend en drukkend en professor Fonda was blij dat hij na een lange minuut kon afstappen. Hij stond in een groot gebouw, kennelijk was de poort ook hier in een groot gebouw gebouwd. Of was het gebouw om de poort heen gebouwd. Om de poort te beschermen? Om de toegang te kunnen controleren? De poort begon achter hem luid te zoemen, en hij liep gauw de trap af om plaats te maken voor van Vliet en zich bij Silmana te voegen. Hij was het inmiddels volledig eens met Latoko's oordeel dat Silmana een louche sujet leek. Aan de andere kant moest hij toegeven dat Silmana in zijn leven weinig keuze gehad had en toch net als ieder ander eten en spullen moest kunnen kopen. De jonge idealist in de professors hoofd vroeg zich af hoeveel Silmanas er rondliepen in de bendes straatkinderen thuis, en hoeveel daarvan gered konden worden van een uitzichtloos lot als huurling. Hij schrok op uit zijn mijmering toen Silmana zijn stem verhief.

"De plaatselijke bevolking is heel vriendelijk", legde Silmana uit, "maar de tussenhandelaren die de sterrendiamanten verhandelen zijn keihard, en vaak onderdeel van de maffia. Met hen moet je uitkijken, zij geloven enkel in het recht van de sterkste." Met een veelbetekenende blik op de professor liep Silmana een eindje opzij en de professor volgde hem.
"Luister, professor, ik weet dat u geen hoge pet van mij op heeft. En terecht, want uw enige kennis over mij komt van Kodiko. Maar het is goed dat u en uw expeditie meegegaan zijn, want er zijn hier een hoop dingen verschrikkelijk mis en we kunnen goede wetenschappers goed gebruiken."
"Nou, ach, eh", begon de professor hakkelend, "ik ben hier voor wetenschappelijke studie, niet om maatschappelijke problemen op te lossen. "
"Wetenschappelijke studie en de bijbehorende publicatie is juist wat nodig is", antwoordde Silmana fel, "want die sterrendiamanten zijn geen mineralen, maar levende wezens in gekristalliseerde vorm. Dénkende wezens, bewúste wezens, waar je mee kunt praten en lachen en debatteren en alles. U zult het straks wel zien.

Professor Fonda bleef geschokt achter. Levende wezens in kristalvorm? Dat zette niet alleen zijn ideeën over wat wel en niet leven is op zijn kop, maar riekte ook naar slavernij. Wat was er nou precies aan de hand? Door de geheimzinnigheid was hij op zijn hoede en door de opmerkingen van Silmana wist hij niet helemaal meer wat hij aan die man had en was hij danig van zijn stuk gebracht.

"Oké mensen!", riep Silmana tegen de hele groep wetenschappers, "zo meteen, achter die deur, zullen jullie je eerste glimp opvangen van deze wereld en haar bewoners. Wees voorzichtig: er gelden hier andere regels dan thuis en zelfs de natuurwetten werken hier anders. En wees vooral op je hoede voor de magie: dat hebben we thuis niet dus je hebt geen idee wat het doet, kan, en wat de risico's zijn." Met die woorden stapte Silmana resoluut de deur door en de expeditieleden dromden gretig achter hem aan, nog nieuwsgieriger geworden dan ze al waren door Silmanas opmerkingen over andere natuurwetten en magie.

donderdag 3 november 2016

Behoud van de sterrendiamanten, deel 3 van 9

Download het eBook: http://rubenseschone.nl/ebooks.php

Geïnteresseerd nipte professor Fonda van zijn koffie en ging het hele verhaal in gedachten nog eens na. Dat onderzoek van die sterrendiamanten leek hem wel wat, zijn huidige werkzaamheden konden wel een poosje wachten tot hij terug was van een expeditie. Hij moest morgen die oude van Vliet eens vragen, die was even nieuwsgierig als hij naar de sterrenpoort en de sterrendiamanten, en had bovendien een jonge, sterke en slimme assistent die de klus zeker weten aankon. En hij moest voordat hij wegging ook nog maar eens een bezoekje brengen aan de schietbaan. Latokos opmerking dat die Silmana zaken achterhield, en in het algemeen een louche sujet leek, zinde hem niet. Dergelijke zaken voelde ze over het algemeen goed aan en hij had door de jaren heen groot vertrouwen ontwikkeld in haar oordeel. Het was verstandig om op alle eventualiteiten voorbereid te zijn.

Die avond zat Latoko als een toonbeeld van welopgevoedheid naast het haardvuur te frivolitéën terwijl haar man brieven zat te schrijven. Het viel haar op dat het kennelijk niet wou vlotten, de pen bleef vaak werkeloos in de lucht hangen. Maar ze piekerde er niet over om haar man bij te staan na de ruzie van eerder die dag. "Hij is vast bezig met een brief aan Silmana, laat hem maar ploeteren", dacht ze bij zichzelf. Ze wijdde haar aandacht weer aan haar handwerkje en deed alsof ze niets gezien had van zijn moeilijkheden.

De brief waar Kodiko aan werkte wou inderdaad niet vlotten. Silmana als tussenhandelaar zat hem dwars, hij zou liever zaken doen met de leveranciers achter de sterrenpoort. Want hij was tot de conclusie gekomen dat zijn vrouw gelijk had: Silmana was een louche sujet waar je misschien beter maar niet al te veel mee te maken kon hebben. Haar suggestie om de professor er op af te sturen had hij weggewuifd maar ondertussen stiekem wel een goed idee gevonden. Die ouwe graver was vast zo nieuwsgierig dat hij meteen stond te springen om te gaan, en dan kon hij gelijk mooi een brief van Kodiko meenemen naar wie het dan ook was die over de sterrendiamanten ging. Het idee om zelf te gaan, kwam niet in Kodiko op: hij hechtte daarvoor net te veel waarde aan alle comfort om hem heen.

donderdag 27 oktober 2016

Behoud van de sterrendiamanten, deel 2 van 9


Download het eBook: http://rubenseschone.nl/ebooks.php

"Het handschrift ziet er authentiek uit", zei professor Fonda mompelend terwijl hij door een vergrootglas tuurde, "maar het perkament lijkt veel nieuwer dan de andere voorwerpen die we opgegraven hebben. Er lijkt een gerede kans dat dit een vervalsing is en het moet nader onderzocht worden." Verstoord keek de professor even later op van zijn vergrootglas toen er op de deur geklopt werd.

"Binnen!"

De deur ging open en Latoko kwam binnen. "Welkom, welkom, ga zitten!", riep de professor verheugd. "Wil je koffie? En hoe is het met je man?". Latoko zuchtte en zei dat ze om hem juist hier was. "Hij heeft samen met die griezel van een Silmana een grote voorraad buitenaardse edelstenen gevonden, sterrendiamanten noemen ze ze. Of eigenlijk is Silmana degene die ze gevonden heeft en ze door de sterrenpoort heen mee hierheen neemt. Kodiko is zelf nog nooit naar de andere kant gereisd maar verhandelt ze hier wel. Hij wil niets weten van onderzoek ter plekke, maar we weten niets van die sterrenstenen, hoe ze ontstaan of wat dan ook! Daarom ben ik nu zonder mijn mans medeweten hier."

De professor overhandigde haar een kop koffie. Ze zag er angstig en ongerust uit in dat zomerse niemendalletje van haar (en dat haar wel heel goed stond, voegde een stem in zijn achterhoofd daar aan toe). Voor de zoveelste keer verbaasde het hem dat een vrouw als zij verbonden was aan een man als Kodiko. Ze pasten totaal niet bij elkaar en hij kon zich niet voorstellen wat het was dat hen in elkaar aangetrokken had.

Als natuurliefhebber hoorde Latoko met haar groene vingers thuis in het bos, kruiden zoekend onder het groene bladerdak. Of misschien op een archeologische opgraving, voorzichtig met haar vingers het zand van oud aardewerk vegend. In ieder geval niet in die grauwe steenklomp dat haar man een huis noemde, terwijl ze pogingen deed om de stadse mevrouw van goede komaf te zijn en braaf de mode te volgen.

Zijn gedachten keerden terug naar het gesprek. Latokos onrust klonk als gefladder van elfenvleugels door in haar stem. "Ik zou het toch héél erg op prijs stellen als u kans zou zien om hier onderzoek aan te wijden, want er klopt ergens iets niet. Silmana houdt informatie achter!". Als een vlinder die uit zijn cocon kruipt, werden haar ware gevoelens over deze hele zaak zichtbaar op haar gezicht. De professor zag ergernis, frustratie, angst, haat en woede elkaar afwisselen.

"Ik heb van sterrendiamanten gehoord", zei de professor, "en ik ken wel een paar collega's die staan te trappelen om ze nader te onderzoeken. Zelf ben ik ook wel erg geïnteresseerd in de landen en culturen achter de sterrenpoort, moet ik bekennen. Ik zal eens een balletje opgooien tijdens de vrijmibo morgen, en dan hoor je wel wat er uit komt". Hij schonk nog een kopje koffie in voor hen beiden en ze praatten nog wat over koetjes en kalfjes voordat Latoko terugging naar huis.

donderdag 20 oktober 2016

Behoud van de sterrendiamanten, deel 1 van 9

Download het eBook: http://rubenseschone.nl/ebooks.php

"Je moet voorál letten op de glinstering!", zei hij geïrriteerd. "Deze edelstenen komen van de andere werelden, voorbij onze eigen dimensie. Silmana heeft ze meegenomen door de sterrenpoort. Hij zegt dat de grond daar bezaaid ligt met deze schattige glimmertjes. Ik moet metéén denken aan de oude verhalen van conquistadores over El Dorado, wat zou ik de ontdekking van zo'n zeldzaamheid graag op mijn naam schrijven!". Zijn vrouw schudde meewarig haar hoofd en antwoordde rustig: "Maar wat als dit inderdaad óók zo'n mythisch en onvindbaar El Dorado blijkt te zijn? Die Silmana lijkt een louche en onbetrouwbaar figuur. Vind je niet dat we op zijn minst professor Fonda een kijkje moeten laten nemen? Samen met een paar van zijn collega's, en assistenten?"

Ontevreden grommend richtte hij zich weer op de bestudering van de edelstenen op zijn bureau. Even later keek hij weer op. "Wat ik me afvraag", zei Kodiko kwaad en ruziezoekerig tegen zijn vrouw, "is hoe jij zo'n achterdochtig stuk vreten geworden bent. Vroeger was je zo'n lief meisje. Silmana heeft ons goed gediend en veel van onze rijkdom hebben we aan hém te danken, vrouw." Hij draaide zich om, schonk zichzelf nog een kop koffie in en hervatte zijn bestudering van de geheimzinnige sterrendiamanten. Niemand wist hoe ze gemaakt of ontstaan waren, en de atomaire samenstelling en kristalstructuur van de stenen zette zelfs de grootste geleerden voor een raadsel. Niettemin was dat ook hun grootste kracht: ze waren zeldzaam, afkomstig uit die geheimzinnige andere dimensie waar niets over bekend was en werkelijk schitterend om te zien. En als dingen waardevol waren, wou hij er best wat winst op maken.

Een verdieping hoger keek zijn vrouw Latoko met betraande ogen in de spiegel. Ze had een hekel aan de ruzies met haar man, maar de situatie was zoals ze was en ze had haar keuzes maar te dragen. Waar was de tijd van jong en verliefd gebleven?

"Misschien moest ik eens met de professor gaan praten", dacht ze bij zichzelf. De professor was een lieve man; hij had altijd een lekker kopje koffie en een luisterend oor voor haar. Ze veegde de tranen weg, werkte haar make-up bij en knipte haar tasje dicht. Geruisloos liep ze de met dikke vloerkleden beklede trappen af, om de professor om raad te vragen.

zaterdag 3 september 2016

Bestemming groen, deel 7 van 7

deel 1 | deel 2 | deel 3 | deel 4 | deel 5 | deel 6 | deel 7


Ik zie zo'n japans bonzaiminiatuurboomgeval die in het midden op een verhoging staat. Door een kunstenaar wordt er via een grote machine tegen gezongen, en de boom volgt het gezang. Terwijl ik kijk, zie ik de vorm van een huis ontstaan, muren, dak, ramen, alles. Uiteindelijk staat er een schattig kabouterboomhuisje op het podium.

"Dit is onze nieuwe groenvormer", zegt Herman. "Hij is nog klein, maar we willen een grotere versie maken die ook hele grote bomen aan kan, om zo gebouwen en kunst te kunnen bouwen die volledig harmoniëren met de omringende natuur".

Ik kan alleen maar stilltjes toekijken hoe de boom gewillig groeit naar de gezongen wens van de vormer. En ik kan niet wáchten om dit te proberen! Allerlei ideeën borrelen in me op, onrustig schuifelen mijn voeten over de grond, en ik vraag hoe de groenvormer werkt, waarop de kunstenaar aan een lange maar interessante uitleg begint. Ik prent alles zo goed mogelijk in mijn hoofd, het schiet door me heen dat ik dit wel een poosje zou willen doen als werk. Misschien zelfs wel een hele lange poos. Ze hébben gezegd dat ze nog op zoek zijn naar mensen. Zou ik solliciteren? Is dit de kans die ik nodig heb? Het lijkt me waarachtig wel wat. Gedachten en vragen tuimelen zo snel over elkaar heen in mijn hoofd, dat ik alleen maar sprakeloos kan kijken terwijl de kunstenaar uitlegt dat de plant - éénmaal in vorm gegroeid - geen speciale vormer meer nodig heeft om in vorm te blijven, waardoor de prijzen lager kunnen liggen dan ik dacht.

's Avonds zit ik tot laat in de nacht met Herman te praten. Over huizenprijzen, grondprijzen, salaris, tweedehandsjes en wat ik verder zoal kan verwachten in deze uithoek van de melkweg. Ik mag de eerste periode bij Herman en zijn vrouw in het gastenhuis verblijven, tegen kostgeld natuurlijk. Ze kijken blij nadat dat besluit gevallen is; zo breed hebben ze het nou ook weer niet en een extra inkomen is toch wel welkom in dit huishouden. Ik vermoed dat ik best wel een poosje rustig de tijd kan nemen om naar een huisje voor mezelf uit te kijken. Een hele poos.

Slaperig bedenk ik me dat dit misschien wel precies is wat ik nodig heb.

De volgende ochtend solliciteer ik.

Ik word groenvormer.

Bestemming groen, deel 6 van 7


deel 1 | deel 2 | deel 3 | deel 4 | deel 5 | deel 6 | deel 7

Ik straal over naar de planeet en zie dat Herman er is om me van het station af te halen. We begroeten elkaar met klappen op schouders en leuk-je-weer-te-ziens, waarna we naar het parkeerterrein lopen. Herman heeft een heel oud, gammel zwevertje waar hij regelmatig aan moet klussen. Een mooie nieuwe zwever kan er niet af met zijn kleine en onzekere inkomsten.

Onderweg naar zijn huis vertelt hij dat ze het gastenverblijf al helemaal klaar hebben gemaakt voor me. Dat is een voordeel van deze mooie maar schaars bevolkte planeet: grond om op te bouwen kost hier zo goed als niets, waardoor je mooie grote huizen kunt bouwen voor verrassend weinig geld. Het nadeel is natuurlijk dat je hier in een ontzettende uithoek zit, maar dat gold voor de lavahel ook. Van daar komend lijkt het hier voor mij wel het paradijs, en ik kijk mijn ogen uit onderweg. Al dat groen! Al dat water! Kijk, die planten, en bomen, en struiken, en bloemen en alles!

Na een nacht erg goed slapen en een paar dagen doorbrengen met het zien van de weinige sights en in het algemeen tot rust komen, biedt Herman op een ochtend aan om mij een rondleiding te geven op zijn werk, en te laten zien waar ze mee bezig zijn. Hij vertelt over watervormers die ze zo omgebouwd hebben dat ze ook vloeistoffen als ranja, sinaasappelsap en koemelk aankunnen. Dat wil ik natuurlijk wel eens zien!

Op zijn werk aangekomen kijk ik mijn ogen uit naar alles en ik vraag en vraag en mag zelfs van alles proberen. Ik vermaak mezelf prima en betrap mezelf regelmatig op de gedachte dat ik hier wel zou willen werken, in ieder geval een poosje. De mensen zijn aardig en wat ik dat korte poosje aan bedrijfscultuur ervaar bevalt me ook wel.

Ik experimenteer wat met een watervormer en maak iets simpels: een zonnebloem van sinas. Van het onderste blad druppelen sinasdauwdruppels in een bassin zodat mensen een glas sinas kunnen tappen.

Ze zijn enthousiast dat ik dat zo vlot voor elkaar krijg en ik begin aan de waterdolfijn waar ik al zo lang naar verlang. Maar voordat ik er serieus aan kan beginnen, zegt Herman dat ik nog één ding moet zien. "We hebben het mooiste en bijzonderste voor het laatst bewaard", zegt hij, "en aangezien je vorige week onderweg van het transportstation naar huis zo je ogen uitkeek, denk ik dat je dit net als ik erg bijzonder zult vinden, ook al verkeert het nog in het experimentele stadium".

Hij neemt me mee naar een afgesloten zaal. Wat ik daar zie is zo onverwacht dat ik eventjes helemaal niet weet wat ik moet zeggen.

vrijdag 26 augustus 2016

Bestemming: groen, deel 5 van 7


deel 1 | deel 2 | deel 3 | deel 4 | deel 5 | deel 6 | deel 7 

Herman heeft een bericht gestuurd: of ik een poosje kom logeren. Ik antwoord dat ik die uitnodiging graag aanneem en bekijk hoe ik het beste daar kan komen. Op school waren we beste vrienden, maar terwijl ik in de lavakunst onder het juk van megacorporaties verzeild ben geraakt, kwam hij in de kleinschalige experimentele kunst terecht en ik moet toegeven dat ik erg nieuwsgierig ben naar wat hij nu doet en welke ideeën en mogelijkheden dat mij zal geven.


Maar eerst moet ik zorgen dat ik bij Herman kom, en aangezien hij twee zonnestelsels verderop woont en vervoer niet goedkoop is, heb ik een probleem. Na veel zoeken blijk ik een baantje te kunnen krijgen als bartender op een cruiseschip dat die kant op gaat. Omdat ik tijdens mijn opleiding een bijbaantje had als bartender, gaat me dit vast lukken en dus grijp ik deze kans graag aan.


Mijn eerste avond van een week achter de bar blijkt dat dit het schip is dat richting de geslachtloze planeet gaat waarvan ik de naam ben vergeten, want hij zit aan de bar. We begroeten elkaar vrolijk en opgeruimd. Net op tijd denk ik er aan dat hij wil dat ik het zeg in plaats van hij. Ik kan me vaag herinneren dat hij en zij beledigend waren voor ze. Dus zeg ik braaf "het", en negeer het onbehaaglijke gevoel dat ik vreselijk onbeleefd aan het wezen ben." 's Lands wijs, 's lands eer", zei mijn moeder zaliger altijd als ik begon over de rare gewoonten van anderen.


Een week achter de bar op een cruiseschip is leuk maar zwaar. Aangezien de bar pas om twee uur 's nachts dicht gaat en we daarna natuurlijk nog moeten schoonmaken, lig ik niet voor half vijf in de ochtend in mijn bed. En om negen uur moet ik weer present wezen, want om tien uur gaat de bar open en moet alles er tiptop uitzien en natuurlijk moet de koffiepot goed gevuld zijn voor alle passagiers. Gelukkig zijn de passagiers aardig en ik lach en klets en maak grappen terwijl ik koffie, thee, bier, wijn, martini's en bloody marys inschenk. Deze week lach ik meer dan dan in de drie jaren daarvoor.


Misschien is bartender worden wel een goed idee.

woensdag 17 augustus 2016

Bestemming: groen, deel 4 van 7


deel 1 | deel 2 | deel 3 | deel 4 | deel 5 | deel 6 | deel 7

"Misschien had ik gisteravond toch niet zoveel moeten drinken", denk ik als ik de volgende ochtend met mijn magere bagage op de transporter stap. Ik heb een gigántische kater (na de lavahel ben ik echts niks meer gewend qua drank) en dat zal een fatsoenlijk exitgesprek niet echt meehelpen. Al weet ik nog niet of ik na de lavahel wel een fatsoenlijk exitgesprek wil, ik heb een sterke behoefte om te vloeken, schelden en tieren om alle ongelijkheid, onredelijkheid en uitbuiting waar ik onderdeel van was.

Maar een fatsoenlijk afscheid vergroot wel de kansen om er definitief en voorgoed van af te zijn, dus daar moest ik toch maar mijn best voor doen. Wie weet kan ik zelfs een gunstige referentie lospeuteren.

Ik sta omhoog te kijken naar een gebouw dat zo pompeus en overweldigend is dat het overduidelijk is bedoeld om je héél klein te laten voelen. Maar omdat ik inmiddels weet hoe ze het geld kunnen hebben voor pompeus en overweldigend, ben ik niet meer onder de indruk. Wel sta ik in de foyer even stil bij de prachtige kunstwerkjes van watervormers. Watervormers hebben me altijd getrokken en ik bewonder de flora en fauna van water uitbundig terwijl ik wacht. Ik denk er maar niet over na dat er duidelijk nergens lavakunst te vinden is.

Het gesprek ging verrassend goed. Verbluffend goed zelfs, ze zitten duidelijk erg om lavakunstenaars verlegen. Maar ik ga mooi niet terug en laat de deur van het gebouw met volle tevredenheid voorgoed achter me dicht zoeven. Wel ben ik blij met mijn supergoede referentie, die kan ik mooi van de daken schreeuwen. Ik kijk omhoog en verbaas me over de blauwe kleur van de lucht, het wit van de wolken en de strelende warmte van de zon. Wat zijn die wolken hier schitterend wit! En wat is de lucht zo práchtig blauw!

Doelloos loop ik door de straten van de stad met nog net genoeg geld voor één nacht in luxe. Of een paar nachten in simpele eenvoud en een tijdje wat simpels te eten. Twijfelend loop ik naar het nogal afstands ogende centrale hyperloopstation, terwijl het kind in mij zich verheugt op een ritje met die ouderwetse hyperlooptreintjes.

Uiteindelijk zet ik toch maar koers naar het armere deel van de stad. Het lijkt me toch wel verstandig om zuinig aan te doen. Wie weet kan ik het dan wel een week rekken, en zodoende goed voor de dag komen bij mijn kennissen. Ik heb de komende dagen drie keer koffie drinken en één lunch staan. Veel meer dan ik verwacht had, iedereen is zogenaamd nieuwsgierig naar mijn verhaal en staat in werkelijkheid te popelen om zijn verhaal aan mij te vertellen.

Na een kamer in een motel geregeld te hebben, koop ik bij een supermarkt een sandwich bij wijze van diner, en even verderop ga ik op een bankje op een plein zitten om te eten. Mensen zijn overal naartoe onderweg aan het forenzen terwijl ik bij de fontein zit te kijken hoe kinderen dolfijntje spelen in het spetterende water.

Heerlijk, dat geklater!

donderdag 11 augustus 2016

Bestemming: groen, deel 3 van 7

deel 1 | deel 2 | deel 3 | deel 4 | deel 5 | deel 6 | deel 7

Opgetogen stap ik op de transporter om van de planeet afgestraald te worden. Ik moet terug naar het hoofdkwartier voor de ontslagformaliteiten. Met blijdschap laat ik mijn hittepak achter terwijl ik bedenk dat ik wel een springende dolfijn zou willen maken. Van marmer of zo iets koels. Of misschien met een watervormer. Een dolfijn van water lijkt me heerlijk.

Op het ruimteschip krijg ik een riante hut toegewezen, die comfortabel is ingericht met koele kleuren. Twee grote schilderijen hangen aan de wand, vast reproducties. Het bedrijf zou nooit geld uitgeven aan een echte mondriaan. Maar dat maakt me niet meer uit, blij kijk ik om me heen terwijl ik een slok neem van mijn wijn. Wijn nota bene! Wat een luxe om wijn te kunnen drinken in plaats van enkel water! Het welkomsthologram legt uit waar de sportzaal is en waar de bar en het restaurant te vinden zijn.

Wraakzuchtig besluit ik om in restaurant het duurste te gaan eten dat ze hebben want het bedrijf betaalt alles. Dus ook al vind ik het afschuwelijk smaken, ik neem het duurste wat op de kaart staat, ik heb immers wat in te halen, vind ik zelf.

Nu ik zie hoe de hoge piefen zichzelf met luxe omringen terwijl ze ons medewerkers in kale kloostercellen laten huizen, voel ik me gesterkt in mijn besluit om weg te gaan. Hier wil ik niet langer deel van uitmaken. Omdat ik me toch wel heel onbehaaglijk voel als ik naar de toekomst kijk, mijd ik de toekomst voorlopig als de pest. Ik moet er maar op vertrouwen dat het linksom of rechtsom op zijn pootjes terecht komt.

De reis naar de aarde duurt drie week. Ik gebruik de tijd om volop te genieten van alles wat het schip te bieden heeft. Het is bijna een cruiseschip, en zo ben ik een beetje op vakantie. Ik zwem, ga naar de film en naar dansavondjes, eet elke avond luxueuze schotels in het restaurant en spring flink uit de band.

Ik stuur berichten naar kennissen en vrienden van school en krijg al snel een paar uitnodigingen terug om eens bij te praten. Hoe het nu gaat, vragen ze en wat ik nu ga doen. Omdat ik nog geen flauw idee heb wat ik ga doen, antwoord ik in algemene gemeenplaatsen en zeg ik dat ik ga genieten van de vrijheid en op zoek ga naar mijn echte ik en mijn echte passie. Zelfs na meer dan honderdvijftig jaar doet die ouderwetse vroeg-eenentwintigsteëeuwse hippietaal het nog goed, ontdek ik verbaasd.

De laatste avond flirt ik wat met een medepassagier die vanochtend aan boord gekomen is en overstapt op aarde voor de reis naar huis. Ze hebben binnenkort de één of andere bijzondere familiefeestdag. Bijeenkomst. Dinges. Hijzij komt van een planeet waar ze geen geslachten hebben, ontdek ik na een paar gezamenlijke biertjes aan de bar. Terwijl ik er aan probeer te denken dat ik "het" moet zeggen in plaats van "hij" omdat hij kennelijk beledigend is, luister ik naar wat het vertelt: ze hebben geen geslachten zoals wij. Geen mannen, geen vrouwen. Of ze hebben twee geslachten zo je wil, want ze zijn geslachtloos en toch hermafrodiet. Of zoiets in elk geval. Ik probeer te snappen wat het uitlegt, maar faal jammerlijk omdat ik te veel gedronken heb. Gelukkig kan ik morgenochtend het bier de schuld geven van mijn gebrek aan helderheid vanavond.

donderdag 4 augustus 2016

Bestemming: groen, deel 2 van 7

deel 1 | deel 2 | deel 3 | deel 4 | deel 5 | deel 6 | deel 7

In de loop van de dagen vraag ik me steeds vaker af hoe het zou zijn om gewoon maar ontslag te nemen. Geen vast zitten op deze stomme helse planeet, maar vrij als een vogel in de aardse lucht. Wat mis ik die goede oude aarde! Maar geen baan betekent ook geen salaris, en hoe kom ik dan aan avondeten? Ik stel me voor hoe het is om te bedelen: ergens op een straathoek staan met een bordje "beeldjes voor voedsel" om de nek. Ik ben bang voor dat donkere zwarte gat dat toekomst heet. Maar ik ben ook bang om hier te blijven, en vroeg of laat dood te gaan omdat 't bedrijf 't vertikt om normaal voor zijn werknemers te zorgen. Waarom heb ik eigenlijk geen reservehittepak?

Rond en rond malen mijn gedachten, als een draaimolen op de kermis. Zal ik 't doen of zal ik 't niet doen? Wat vind ik enger: hier blijven in dit uitzichtloze oord of de sprong in het duister wagen in de hoop dat het me naar het licht leidt? Ik zet de magnetron aan voor het avondeten en ga vroeg vergetelheid zoeken in de slaap, die me dromen brengt over zwemmende dolfijnen.

De volgende ochtend brengt een koerier mijn gerepareerde hittepak. Nu kan ik in elk geval weer naar buiten, zit ik niet opgesloten in deze kale, lege gevangenis die ze hier "huis" noemen. Ik pak mijn spullen en ga op weg naar mijn werk bij de lavamijnen. In ieder geval is de wandeling er naartoe mooi; zij het ook wel een pietsie gevaarlijk. Maar zolang je onder de schermen blijft is er meestal niks aan de hand, al klinken de doffe bonken van neervallende stenen op de schermen wel eng soms.

Op het werk ga ik aan de slag met een indoor lavaval. Ik vraag me af waarom mensen dat willen: een huiskamerwaterfonteintje of zo'n Japans miniatuurboompje is toch veel mooier op tafel? Of desnoods een gewone ouderwetse miniatuur waterval, met dat gezellige geklater. En dan met een mooi groot aquarium in hoek, fantaseer ik verder terwijl ik niet meer let op waar ik mee bezig ben.

Vloekend richt ik even later mijn aandacht weer op mijn werk: door mijn onoplettendheid is het hitteschild kapot gegaan. En ik had mijn lavaval nota bene bijna af. De opzichter heeft het gezien en komt tierend verhaal halen. Ik krimp in elkaar terwijl ze roept dat ze zat is van mijn geklungel en dat ik er bij de eerstvolgende fout uit vlieg.

's Avonds zit ik thuis met een glas water naar de kale muren te kijken. Ik vraag me voor de zoveelste keer af waarom we toch geen schilderijen mogen ophangen of snuisterijtjes mogen neerzetten. Niks van jezelf mogen hebben maakt van het huis een kloostercel. Ik kan niet meer ophouden met klagen, zeuren en mopperen. Vroeger was ik altijd vrolijk, waar is mijn goede humeur gebleven? Ik wil weer kunnen lachen.

Als ik de volgende ochtend opsta, weet ik wat ik enger vind. Ik meld de opzichter dat ik ontslag neem. Ik waag die sprong in het duister.

vrijdag 29 juli 2016

Bestemming: Groen, deel 1 van 7

deel 1 | deel 2 | deel 3 | deel 4 | deel 5 | deel 6 | deel 7

Buiten is het donker. Het enige licht komt zoals gewoonlijk van de lavastromen. "Op deze planeet schijnt de zon ook nóóit", denk ik mismoedig bij mezelf. Ik stap uit bed en kijk uit het raam. De aarde rommelt en de vurige gloed van lava is duidelijk zichtbaar even verderop. Het wordt weerkaatst tegen de donkere bordeauxrode wolken. Even sta ik te kijken naar de lavarivier. De lava staat hoog vandaag. Kennelijk is de vulkaan is weer eens bezig. Vandaar dat 't zo naar zwavel stinkt en de aarde meer rommelt dan anders. Ik kleed me aan terwijl ik een fijne douche mis. Maar water verspillen aan schoon blijven kan hier nou éénmaal niet. We zijn allang blij dat we überhaupt voldoende hebben om te drinken.

In de loop van de dag zwerf ik doelloos door het huis. Van kelder naar zolder en weer terug sjouw ik rusteloos heen en weer, als een tijger in zijn kooi. Door de vulkaanuitbarsting is het buiten niet te harden zonder hittepak, en de mijne is in reparatie. Ik zit dus vast in dit huis, mijn huis is mijn gevangenis. Ik verveel me, word steeds kwader, schreeuw machteloos tegen de kale onpersoonlijke muren. Waarom ben ik hier neergepoot? Van alle planeten in de Melkweg moest ik hier te werk gesteld worden! Waarom? De uitbarsting duurt nu al de hele dag, zo lang duurt 't anders nooit. Kunnen de rivieren die grote hoeveelheid lava wel verwerken? Wat als ze buiten hun oevers treden?

Ik word bang.

De laatste keer dat ze buiten hun oevers traden, was vijfendertig jaar geleden. Toen moest iedereen hals over kop geëvacueerd worden, en dat deed het bedrijf toentertijd alleen maar omdat de nieuwskanalen met vette koppen zouden berichten over een bedrijf dat zijn eigen werknemers moedwillig liet stikken. Dat was voor mijn tijd, maar ik heb genoeg archieven gezien en genoeg verhalen van oudere collega's gehoord om me goed te kunnen voorstellen hoe dat was.

Ik sta alweer naar buiten te kijken naar de lavarivier. Ik heb toch niets beters te doen en in die leegte is het makkelijk om naar buiten kijkend te staan piekeren. Waarom ben ik ooit hier gaan werken? Het leek zo gunstig toen ik in dienst kwam: gevarieerd werk, mooie beeldhouwwerken maken op mooie plekken. Maar in plaats daarvan zit ik vast in deze hel omdat die verdomde lavakunst nu helemaal hip is.

Misschien had mijn vader gelijk, en had ik een vák moeten leren. Maar is beeldhouwer dan geen vak?

Ik weet niet wat ik moet, maar ik besef dat ik wat moet, want hier word ik gék. Ik wil zon, en licht, en lucht, en loeiende koeien in groene weiden en klaterende fonteinen en kunnen douchen en mijn kleren kunnen wassen.

Ik wil hier weg!

zondag 10 februari 2013

121876 op zilveren vleugels


Een vervolgverhaal over een maatschappij waar de mensen geen namen maar nummers hebben. 
deel 1 deel 2 deel 3 - deel 4 deel 5 - deel 6 - deel 7 



deel 8: op zilveren vleugels

121876 zat op het trapje van de veranda met brood in zijn schoot en kwetterende vogels om zich heen. Vandaag was het zover, maar voordat hij zich in zijn zakenman-vermomming hees, wou hij eerst nog even rustig de vogeltjes voeren. Om hem heen vochten mussen en merels vrolijk kwetterend om het brood dat hij rond strooide. Zelfs een vogel was niet helemaal vrij, bedacht hij, het moest immers zorgen dat het te eten kreeg en zo. 

“Ben je al omgekleed?”, klonk een stem van binnen. 121876 schrok op. “Nee, nog niet, ik zit bij de vogels”, riep hij terug. Iemand grinnikte. “Natuurlijk zit ‘ie weer bij de vogels! Hij is nog erger dan Dirk de Vogelaar.” 121876 stond op, voerde de laatste restjes aan de vogels en liep vervolgens het trapje op naar binnen en liep door naar zijn slaapkamer. Het pak dat hij zou dragen, hing al klaar en hij trok het aan. Eigenlijk zat het best goed, bedacht hij. Maatwerk had toch zo zijn voordelen. Hij bekeek zichzelf nog één laatste keer in de spiegel. Hij was er klaar voor. Hij moest wel.

“En? Zit het goed zo?”, vroeg hij in de huiskamer aan de vrouw die hem naar het vliegveld zou brengen. Ze trok zijn stropdas recht en gaf hem een kus. “Denk eraan dat de mensen op het vliegveld denken dat we getrouwd zijn!”, grijnsde ze. “Vergeet niet dat je mee moet spelen en dat alles van vandaag afhangt.” Ze pakte haar handtasje, trok haar veel te korte rokje recht en gleed soepel achter het stuur van een wachtende luxe uitziende mercedes. Hij volgde haar en plofte neer op de passagiersstoel. De auto zoefde weg terwijl hij checkte of zijn valse paspoort samen met het vliegtuigticket in zijn binnenzak zat. Hij vroeg zich nog steeds af waar dat vandaan kwam, maar ze zouden hem dat nooit vertellen, wist hij inmiddels. “Alleen willen weten wat je echt moet weten”, was het devies. Wat je niet wist, kon je ook niet per ongeluk verraden aan een gedachtenstraler.

Inchecken was zo gepiept, ontdekte hij op het vliegveld. Beveiliging zou langer duren; er stond een hele lange rij voor de enige bodyscanner die in bedrijf was. Hij ging in de lange rij voor de scan staan en hield zijn gedachten zorgvuldig bij de producten die hij zogenaamd zou gaan verkopen en die hij de afgelopen week allemaal uit het hoofd geleerd had. De beveiliging zou gedachtenstralers hebben en de bodyscanner ook, dus moest hij zijn gedachten onder controle hebben. Naast hem babbelde zijn “vrouw” over ditjes en datjes. Langzaam kwam de scanner dichterbij en toen was hij ineens aan de beurt.
“Nou, ik mag niet verder mee”, pruilde zijn vrouw. Ze sloeg haar armen om hem heen en ze namen afscheid met een innige kus. “Tot volgende week, ik zal je missen hoor!”, zei ze nog voordat ze zich omdraaide en weg wankelde op haar onmogelijk hoge hakken. Hij liep door de scan en hoorde de langgerekte piep van een gedachtenstraler. “Alles goed, doorlopen!”, zei de barse stem van de bewaker afgeleid terwijl hij de wiebelende hoge hakken en het ultra-korte rokje reikhalzend nakeek. 
Gauw liep 121876 door, weg van die scan. Daar was hij doorheen, de eerste hindernis was genomen. Hij kocht een kopje koffie bij een koffiebar en sjokte toen naar de gate vanwaar zijn vliegtuig zou vertrekken, in gedachten bezig met het samenstellen van zijn zakenmannen-verkooppraatje. Om zich heen kijkend zag hij dat het vliegveld vergeven was van de monitorders en de gedachtenstralers, hij mocht nu beslist niet uit zijn rol vallen! 

Uiteindelijk ging de gate open en werden de passagiers geroepen. Hij mocht eerst met zijn eerste-klas-ticket. “Ik ben een succesvol zakenman, natuurlijk mag ik eerst”, zei hij in gedachten tegen zichzelf. Hij hoorde de bekende langgerekte piep en wachtte rustig  af tot de monitorder zijn gedachtenstraler gecontroleerd had. “Goede vlucht meneer!”, wenste de steward hem toe toen hij door de monitorder doorgewuifd werd. Met knikkende knieën liep hij het vliegtuig in en nam plaats. Hij wist dat gedachtenstralers in het vliegtuig verboden waren, maar durfde zijn gedachten nog niet ongecontroleerd te laten zwerven. Even later ging de deur van het vliegtuig dicht en kwam het toestel met een schok in beweging. Ogenschijnlijk verveeld maar in werkelijkheid ingespannen en aandachtig luisterde hij naar de stewardess die uitlegde wat ze in noodgevallen moesten doen terwijl het vliegtuig naar de startbaan taxiede. Hij werd steeds nerveuzer en moest steeds meer zijn best doen om blasé te lijken. De zakenman die hij speelde had vast al heel vaak gevlogen, die zou beslist niet nerveus zijn. 
De stewardess ging zitten en deed haar veiligheidsriem vast. Even later schrok hij op toen  de motoren luid begonnen te brullen, het vliegtuig kwam met een schok in beweging en ging sneller en sneller, en ineens zag hij uit het raampje dat de grond wegviel. Ze waren in de lucht! Hij voelde hoe zijn maag samen met zijn darmen vrolijk een rondje door zijn buik walste en sloot zijn ogen om te doen alsof hij sliep. Hij hoefde het spel nog maar even vol te houden. Hij was er bijna.

Al een hele poos vlogen ze boven water. Hij had gedaan alsof hij sliep en zelfs een poosje echt geslapen, zodat de stewards hem met rust zouden laten. Toen hij wakker was geworden, had hij door zijn wimpers naar buiten zitten kijken. Nu kwam in de verte een kuststrook dichterbij, zo uit de lucht was goed te zien dat het een eiland was. Het vliegtuig was al een poosje geleden begonnen te dalen, het eiland was hun eindbestemming. “Aloha”, stond er op een groot gebouw, met “Honolulu International Airport” er onder. Steeds lager gingen ze, en ineens landden ze en direct daarna voelde hij hoe het vliegtuig ineens sterk afremde. Het leek wel alsof de piloot aan de noodrem getrokken had. Al kon dat natuurlijk niet, want een vliegtuig had geen noodrem. Toen het toestel uiteindelijk stilstond en de passagiers er uit mochten, wist hij niet hoe snel hij zijn koffertje moest pakken. Snel door de bagage-reclaim en de douane, en daar stond hij dan buiten! Ietwat verlaten en hulpzoekerig keek hij om zich heen, hij had geen flauw idee waar hij nu heen moest. Voordat hij rare dingen kon doen, riep een stem vrolijk “Aloha”, en kreeg hij een bloemenkrans om zijn nek gehangen. Een veel te blond bloemenmeisje sloeg haar armen om zijn nek en begroette hem onfatsoenlijk uitbundig, terwijl ze in zijn oor fluisterde: “U bent nummer 121876, genaamd Ruben van Oostergast, en ik ben gestuurd om u op te vangen.”

Later die dag zat hij op het trapje van de veranda van zijn huisje te kijken naar de ondergaande zon. Zijn eigen, nieuwe huisje. Hij had een huisje, en dan nog wel een strandhuisje! Hij kon het nog maar amper beseffen: het was gelukt! Hier zat hij dan, ver weg van monitorders en gedachtenstralers, uit te kijken over het strand voor zijn eigen kleine huisje, nadenkend over wat er allemaal gebeurd was en plannen makend voor de bar en de vogelopvang die hij zou beginnen. En dat dacht hij allemaal zomaar buiten, op het trapje van de veranda. Geen loodgordijnen die dicht moesten, geen schielijk om je heen kijken omdat een gedachtenstraler je misschien kon betrappen. Hij voelde zichzelf net een vogel in de lucht.

Hij stond op en liep naar de vloedlijn. De branding ruiste hem tegemoet.

Hij spreidde zijn armen en liet de zachte zeewind langs zijn lichaam strijken, zo voelde het bijna net alsof hij een vogel was. Keer op keer schreeuwde hij zo hard hij kon tegen de golven: “Ik Ben Ruben! Ik Heb Een Naam!” 

121876 ontsnapt


Een vervolgverhaal over een maatschappij waar de mensen geen namen maar nummers hebben. 
deel 1 - deel 2 - deel 3 - deel 4 - deel 5 - deel 6 - deel 8



deel 7: ontsnapping!

Een hele tijd hoorde hij vervolgens alleen maar de vrachtwagenmotor. Na wat een eeuwigheid leek, hield het geluid op. 121876 spitste zijn oren en hoorde de wind in de bomen ruisen. “Wind in de bomen?”, dacht hij verbaasd. “Waar ben ik??”. 

“Rustig maar”, klonk ineens een vrouwelijke stem vlakbij zijn oor. Hij voelde hoe zijn handboeien losgemaakt werden en ineens knipperde hij tegen het felle licht van de volle maan toen zijn masker verwijderd werd. Een gezicht zweefde vaag voor zijn ogen. Het keek vriendelijk. Zijn blik werd scherper en hij zag een vrouw voor hem staan. “Alles goed?”, vroeg ze bezorgd. “Wat kan jou dat schelen?”, vroeg 121876 agressief, “jij bent alleen maar een product van de gedachtenkap en dit is allemaal niet echt!”
“We zijn wel echt, en deze situatie, jouw ontsnapping, is ook echt”, bromde een lagere stem van buiten. “Maar ik kan me voorstellen dat je twijfelt, na zo lang onder de gedachtenkap gezeten te hebben.” Hij stond op en keek om zich heen, zo te zien bevond hij zich in de laadruimte van een vrachtwagen. De deur stond open, hij keek naar buiten en zag twee mensen staan, nog in de monitorderskleren waarin ze hem uit de gevangenis bevrijd hadden. Hij wierp een blik omlaag en zag twee treetjes, de twee treetjes waaraan hij zijn scheenbeen gestoten had toen hij instapte. “Kom Ruben van Oostergast”, zei de lage stem, “kom naar buiten en kijk om je heen. Je bent vrij.”
“Hé wacht eens even, hoe weet je dat?”, vroeg 121876 verbaasd. “Hoe ik heet, weet niemand, alleen….”
“Gatsakke, jong, je hebt het me zelf verteld!”. 
De rechtermonitorder trok zijn kap van het hoofd en daar stond Jan. Jan van de Geheime Kroeg met zijn grijze haar maar zonder wandelstok en regenjas. “We doen meer dan alleen een kroegje runnen, jochie!”. 121876 begon te lachen, nu wist hij dat het echt was. Dit was nou net het enige dat de monitorders niet konden weten, en dus kon het niet uit de gedachtenkap komen en moest het wel echt waar zijn dat hij vrij was. Hij keek om zich heen naar het nachtelijke bos en hoorde in de verte het ruisen van vleugels en de melancholieke roep van een uil.

Even later zat hij achter een kop thee zijn polsen te masseren terwijl hij luisterde naar de uitleg die hem voorgeschoteld werd. Hij was bevrijd en naar een veilighuis gebracht, ver weg op de Veluwe, waar bijna geen gedachtenstralers te vinden waren en nog minder monitorders. Ze legden uit hoe ze hadden ontdekt dat hij gevangen was en waar hij zat, en hoe ze de militaire tak van De Geheime Kroeg hadden ingeschakeld om hem uit de gevangenis te bevrijden. “En nu zit je dus hier”, beëindigde de vrouw haar verhaal. 
“Je blijft hier een week terwijl we je klaarstomen voor de rol die je moet spelen om het land uit te kunnen komen.” 
“Rol? Welke rol? En waar ga ik dan heen?”. 
“De enige manier om in het buitenland te komen, is vliegen. Je moet dan door een serie zware controles heen, dus je kunt niet als jezelf gaan, en je moet dus uiteraard ook je rol goed kennen. We kunnen het ons niet veroorloven dat je nog eens door de mand valt! En je moet weg, want als je hier blijft, val je zeker nog eens door de mand. Herinner je je nog wat je dacht vlak voor die razzia waarbij ze je opgepakt hebben?”

Gedurende de week werd 121876 overstelpt met oefeningen om zich te leren gedragen en te leren spreken als een rijk en succesvol zakenman. Hij moest van alles uit zijn hoofd leren over zijn fictieve bedrijf en over de producten die hij maakte en verkocht. Details werden hem uit de doeken gedaan: hij zou als zakenman op het vliegtuig stappen naar een eiland ver weg waar hij nog nooit van gehoord had, daar zou hij opgevangen worden en als vrij mens leven. “Als wederdienst verlangen we van je dat je je best doet om daar zo snel mogelijk een nieuw leven op te bouwen, zodat je anderen zoals jij op kunt vangen als die op hun beurt aan het regime ontsnappen”, zei de vrouw streng. “En denk er om dat je je rol perfect speelt!”. Ze zwaaide haar vinger voor zijn neus heen-en-weer. 

“Jij gaat ontsnappen jong”, zei Jan vriendelijk. “Stel je dat eens voor, dat je echt vrij zult zijn om te denken wat je wilt...”